De lange lijdensweg naar Osh
Door: Richard van Dijke
Blijf op de hoogte en volg Richard
13 Juli 2025 | Kyrgizië, Osj
In grote lijnen was mijn reisplan helemaal duidelijk. Om dat plan kloppend te krijgen had ik één gebied moeten schrappen: Siberië zou voor een andere keer zijn. Ik kon ook beter wachten om dat gebied te bezoeken tot de mogelijkheden verder verruimd waren, zoals dat nu in China het geval was. De Chinese bestemmingen kregen nu voorrang. Ik zou naar China fietsen via Kirgizië. De kortste weg naar Kirgizië leidde door Oezbekistan. Zou ik die weg nemen dan zou ik opnieuw het traject moeten rijden dat me in 2013 zo zwaar viel. Bovendien had Oezbekistan het spook van de registratieplicht nog steeds niet definitief van zich afgeschud: die plicht was officieel afgeschaft, maar nog steeds werden reizigers fors beboet voor het niet registreren. Ik ging daarom om Oezbekistan heen rijden. Vanuit Aral in Kazachstan zou ik in 18 dagen naar Osh in Kirgizië rijden. Zo stond het in mijn planning. Het werden 26 dagen. Met één ding had ik geen rekening gehouden: ik was geen veertiger meer.
Aral, mijn pleisterplaats in de steppe, had nauwelijks bezienswaardigheden. Er was een centraal plein met speeltoestellen en een monument. Daaromheen lagen winkels. Daarbuiten vond je vooral woningen, straten en zandpaden. Het was absurd heet geworden tijdens mijn verblijf. Bij mijn vertrek uit Aral was het meer dan 40°C. Ik merkte al vlot dat ik meer pauzes nodig had dan normaal. De hitte hield de eerste dag ook lang aan, waardoor ik er ook bij het kamperen mee te maken had. Het was zaak om de tent zodanig te positioneren dat ik niet in alle vroegte al bestookt werd door de zon.
Voor vocht en voedsel was ik nu aangewezen op eetgelegenheden langs de weg. Dorpen opzoeken om in de bloedhitte te lunchen of gewoon te pauzeren was geen optie meer; ik had de beschutting van restaurants nodig. Op de tweede dag had ik een late lunch na 70 kilometer in de hitte. Mijn eetlust was veranderd. De frisdrank was zeer welkom, evenals de soep, maar het geserveerde brood kreeg ik niet meer weg. Ik rekte mijn oponthoud, want de volgende stop lag pas op 125 kilometer. Het vervolg ging moeizaam en ik rustte drie kwartier in een bushok. Rijdend in de zon gaf de teller 52°C aan. Nooit fietste ik bij een dergelijke hitte; ik schatte dat de officiële temperatuur (in de schaduw) 44°C was. Ik wilde vervroegd stoppen, maar vond nergens schaduw in het landschap. Toch werd ik gered door een royale ruimte onder de weg. Door hier te kamperen was ik meteen beschermd tegen de ochtendzon: ik kon uitslapen en zo de volgende lange, hete dag wat korter maken. Toch leek het mooier dan het was. Ook onder de weg was het heet. Uiteindelijk sliep ik maar een uur.
Onverwacht lag er een eethuis langs de weg. Ik dronk er twee liter koude Fanta en zag dat er wifi was. Vandaag en morgen zou het nog 43°C zijn, met nachten tegen de 30°C. Daarna zou het ‘koeler’ worden. Terwijl ik dronk veegde de uitbaatster de vloer aan. Toen ik weer vertrok had ze een indrukwekkende hoop krekels bijeengeveegd. Moeizaam, de kilometers aftellend, reed ik naar mijn lunchstop. Bij aankomst was ik kapot. Binnen was het 32°C. Opnieuw kreeg ik niet meer naar binnen dan frisdrank en soep. Reizen per fiets was nu niets meer dan een strijd, van verder komen, van aftellen. In de vroege avond bereikte ik een motel met restaurant. Ik wilde niet meer buiten liggen bij deze hitte, maar de man achter de toonbank was onverbiddelijk. Er was geen kamer. Uiteindelijk zette ik naast een spoordijk bij een duiker mijn tent op. Ik kon niet onder het spoor in de duiker kamperen, want die lag vol paardenpoep. Er reed tot mijn verbazing ook doodleuk een auto doorheen. In de invallende duisternis naderden er paarden. Ik stond bij hun doorgang en ze durfden er niet langs. Toen ik eenmaal sliep moeten ze mijn tent gepasseerd zijn, want in de ochtend stonden ze in de duiker. Mijn ontbijt was een blik plov: kurkdroge aangestampte nasi. Het vormde een overdreven degelijk fundament in mijn maag. Na ruim een uur fietsen was er een restaurant in Zhosaly waar ik er wat vocht aan toe kon voegen. De eerste literfles volstond niet, de tweede literfles was me net te veel. Eigenlijk moet ik daarbij een onderscheid maken: mijn keel en ik willen altijd drinken, maar mijn maag stelt daaraan grenzen. Ik wilde het heerlijk koude vocht niet meenemen en warm laten worden en goot daarom ook het restant door mijn keel. Ik wist dat als ik eenmaal weer fietste, het overtollige vocht snel weer via de poriën zou verdwijnen. Maar dat was kennis uit een vorig fietsleven. De verwerkingssnelheid van mijn maag was in de jaren verminderd. Ik fietste maar voelde me niet goed. De zon verdween achter een wolk en ik ging even liggen in het landschap. Na twintig minuten voelde ik me nog even ellendig en van de vliegen en mieren werd ik ook niet vrolijker. Ik stond op, leunde tegen mijn fiets en probeerde te boeren om wat koolzuur kwijt te raken. Dat pakte fantastisch uit. In twee grote golven kwam de rode limonade eruit. Ik kon verder. De buikpijn had echter mijn energiegebrek gecamoufleerd. Na vijf kilometer fietsen wist ik dat ik mijn volgende stop niet ging halen. Ik had de kracht niet meer en moest gaan herstellen. Ik reed terug naar Zhosaly en vond een hotel met een sobere maar acceptabele kamer. Ik had een badkamer en een aftandse bak waar een bescheiden bries uit kwam. Ik nam een ijskoude douche, dronk daarna veel thee en sliep twee uur. Ik kocht wat voedsel en dat vermoeide me meer dan verwacht. De dag erop was ik nog niet fit genoeg. Ik ging spitten in mijn oude reisaantekeningen, misschien kon ik er iets van leren. Dit was na Laos (2013), Australië (2014), Peru (2015), Tadzjikistan en opnieuw Laos (2016) en Tanzania (2019) mijn zevende oponthoud door ziekte of uitputting. Meestal ging het om voedselvergiftiging of een combinatie van hitte en slaapgebrek. Opvallend was dat het in drie van de zeven gevallen ging om dag 4 na een herstart, na drie dagen en nachten buiten leven met hitte en slaapgebrek. Eenmaal ging het mis op dag 6 (waarschijnlijk verkeerd voedsel) en in de overige gevallen was er geen sprake van een duidelijke herstart, omdat ik vaak onderdak had. Mijn conclusie was dat de eerste vier dagen een kritische periode vormen. Kom je die goed door, dan kunnen hitte en slaapgebrek je niet meer vellen. Deze conclusie strookte met mijn recente en eerdere ervaringen met geringere energie na een herstart.
Bij mijn nieuwe herstart was het weer opvallend aangenamer. De hittegolf leek te zijn weggespoeld. Ik zag mijn omgeving soms veranderen: naar de weg meanderende rivieren brachten soms bomen en akkers met zich mee. Mijn voortgang na het oponthoud was goed: ik haalde deze dag de hoogste gemiddelde snelheid van deze reis (18,6 km/u). Dat ik de wind in de rug had betekende ook veel dansende fruitvliegjes voor mijn ogen. Sommige kamikazevliegjes vlogen recht op mijn oogleden af. Ik verzon daarom een nieuwe tekst op het lied ‘Liefdesliedjes’ van De Jazzpolitie: ‘Tyfusvliegjes... vliegen in mijn ogen. Tyfusvliegjes… ik zal ze nooit gedogen’. Ik reed ruim 140 kilometer. In de avond was het zowaar fris.
Ik bereikte de uitgestrekte, nette stad Kyzylorda. Met alle fitheid waarmee ik in Aral aangekomen was had ik misschien in één keer door moeten spurten naar deze stad. Ik was dan mogelijk aan een hittegolf, uitputting en misschien ook tijdnood ontkomen; ik moest binnen dertig dagen uit Kazachstan zijn. Ik keek rond, over de pleinen, naar de fraaie gebouwen, en ik bevoorraadde me. De middag en de avond waren warmer dan de vorige dag.
In de ochtend zag ik hoe de pedaal die de agent in Shalkar voor me gekocht had, kromgetrokken was. Hoe kon dat in de nacht gebeurd zijn? Ik kreeg ‘m er in deze toestand niet afgedraaid en moest met een wiebelende pedaal verder rijden. Er wachtte me weer een hete dag, boven de 40°C. Mijn omgeving was kurkdroog. Grote, gele spinnen renden over de weg. Om 18.00 uur had ik voor de derde dag op rij ruim 140 kilometer afgelegd en was ik moe. Ik was de bloedhitte zat. Ik zag een kloof waar schaduw was en iets na zevenen stond de tent in de schaduw, maar het was nog wel 35°C. Bij mijn ontbijt had ik een derde van een salami van 200 gram gegeten, nu at ik het restant. Eigenlijk was het te veel, te vet, maar ik wilde niet nogmaals een restant bewaren bij deze temperatuur. Halverwege de avond was het nog nauwelijks koeler. Het was niet leuk meer zo. Ik wilde een koud bad. In de nacht koelde het af maar ik kon niet slapen. De salami zat in de weg; mijn maag deed pijn. Om zeven uur bereikte die verrekte vuurbal de rand van de kloof weer. Toen ik weer fietste, op dag 4 na mijn herstart, voelde ik al hoe laat het was. Er lonkte een nieuwe uitputting. De stad Turkestan lag op 40 kilometer. Op 25 kilometer zou er een restaurant zijn. Ik vocht me erheen, maar het restaurant bleek een kleuterschool te zijn. Een oudere man die waarschijnlijk het terrein en gebouw onderhield ving me op. Ik was kapot en ging erbij zitten. Even probeerde ik te liggen, maar dat was geen succes op de harde ondergrond. De man bood aan dat ik even ging liggen in een nabijgelegen oud gebouw. Het was een aantrekkelijke gedachte. Iets later lag ik op een oud bed met een versleten matras. Mijn fiets en bagage stonden ook binnen. Tot mijn ontsteltenis sloot de man de deur - meer een hek - af met een hangslot, maar ik was zo moe dat ik dat beschouwde als een zorg voor later. Ik lag goed, maar al vlot merkte ik dat het ook hier warm was. De vliegen wisten me te vinden. Na een uur (en een nacht vol salami-oprispingen) vreesde ik een naderende aanval van diarree. Er was geen wc. Ik klom door een raam en liep naar de kleuterschool. Ik mocht gebruik maken van een schuurtje met een gat in de grond. Mijn vrees werd bewaarheid: mijn interieur was ontregeld. Met de man keerde ik iets later terug naar het oude gebouw. Hij opende de deur en ik pakte mijn fiets. De man leek wel onaangenaam verrast dat ik ontsnapt was en wilde me weerhouden te vertrekken, maar ik liet me niet opnieuw opsluiten. Ik sleepte mezelf naar Turkestan en vond een guesthouse. Een half uur zat ik onder een koude douche, daarna dronk ik thee en sliep enige tijd; het was al bijna een routine. Ik at bananen en noodles, luisterde muziek en dronk meer thee. Ik dacht na over mijn mogelijkheden. Ik kon me hierna nog één dag hersteltijd veroorloven in Kazachstan; werd het meer dan moest ik per trein het land verlaten. In Kirgizië zouden me direct zware bergtrajecten wachten. Hoe heet zou het zijn in de woestijnen verder op mijn route? Kon ik mijn reisplan nog wel uitvoeren, nu mijn lichaam niet meer bestand bleek tegen grote hitte?
Na een goede nachtrust hield ik me bezig met vele klussen, onder andere de vervanging van mijn kromme pedaal, maar mijn interieur was nog van slag en ik haalde een medicijn. Het hielp tijdelijk, maar in een nieuwe, slapeloze nacht liep mijn lijf weer leeg. Mijn lot was bezegeld: ik moest met de trein naar de stad Taraz reizen en 19 kilometer fietsen naar de Kirgizische grens. Dertig kilometer voorbij die grens zou een dorp liggen, Kyzyl-Adyr, met een hotel. Daar hoopte ik verder te kunnen herstellen tot ik weer bergtochten aan zou kunnen. Op het station hielp een spoorwegmedewerker me bij de aanschaf van een ticket voor de volgende dag. Om 20.28 uur zou deze vertrekken en om 5.50 uur aankomen in Taraz. Dat was ruim negen uur voor 340 kilometer, en dat was dan de snelle manier om het land uit te komen. Ik had de medewerker een foto laten zien van mijn bepakte fiets en nam aan dat ik duidelijk had gemaakt dat dit alles mee moest, maar toen ik voor de zekerheid nog eens vroeg of mijn fiets wel mee kon, zei hij: ‘I don’t know.’ Dit kon nog leuk worden.
Na een nieuwe rampzalige nacht toog ik met bepakte fiets naar het station om de knagende onzekerheid weg te nemen. Ik liep naar de informatiebalie. Het kostte veel tijd en moeite, maar uiteindelijk had ik antwoorden. De conducteur zou ter plekke bepalen of er ruimte was voor de fiets. Zo niet, dan kon deze opgeslagen worden in de ‘locker room’. In dat geval zou mijn treinreis veranderen in een soort ‘visa run’: ik zou Kazachstan verlaten en weer terugkeren, met opnieuw dertig verse reisdagen, om mijn fietstocht vanaf Turkestan te hervatten. Nu ik deze antwoorden had was er tijd voor wat sightseeing. Ik had het centrum nog niet gezien. Turkestan verraste me: het had een prachtige binnenstad die me herinnerde aan de zijderoutesteden in Oezbekistan. Het verschil tussen deze oosterse stad en het functionele Atyrau of het sobere Aral was groot. Ondertussen merkte ik dat ik toch maar beter een effectiever middel tegen mijn ontregelde organen kon halen als ik een niet al te dramatische treinreis wilde meemaken. Ik keerde terug naar de apotheek. Via een vertaalsite liet de mevrouw achter de balie weten: ‘Ik heb je al de beste antibiotica gegeven die er is.’ Verdomme, ik had antibiotica gekregen. Dat is een paardenmiddel om alle bacteriën, goed en kwaad, uit te roeien – de zionistische methode. Terwijl ik vooral geteisterd was door de hitte. Waarom geeft men met zoveel gemak, zonder enige diagnose, zo’n radicaal medicijn? De mevrouw stelde voor dat ik ter compensatie probiotica zou nemen. Nee, weg met die biotica-rotzooi. Geef me gewoon een middel dat diarree stopt. Ik moest immers lang reizen. ‘Imodium?’, probeerde ik, ‘loperamide?’ Beide had ze niet, maar ik kreeg een alternatief. Het was meteen het einde van mijn diarree-ellende. Ik had die merknamen veel eerder moeten noemen. Ik prentte mezelf in weer scherper te worden op het weren van antibiotica.
Met fiets, handbagage en flightbag stond ik op het perron. De trein arriveerde. Een politieagent kwam naar me toe. ‘Ticket’, zei hij. Mijn ticket zat in mijn paspoort, maar nu niet meer. Verdomme, waar was dat ding? Nerveus ging ik zoeken. Helaas, nergens. Gelukkig stond het ticket op naam en mijn paspoort volstond. Een man nam de regie over en gebaarde dat ik mijn bagage mee moest nemen. Ik kon niet alles dragen en begon met de fiets, want daar was nog onduidelijkheid over. De handbagage hing ik eraan. Het was maar liefst tweehonderd meter lopen naar het juiste treinstel. De man overlegde met de conducteur en de fiets werd naar binnen getild. Pfew, die mocht mee. Ik liep het hele eind terug om mijn flightbag te halen. Het kreng woog zo’n 35 kg en ik was blij dat ik hulp kreeg van mijn begeleider. Wie was deze man? Een medewerker? Een fixer of ritselaar? Hij loodste mij en de tas naar de juiste plek, een drukke, hete coupé. Daarna nam hij me apart. Of we af konden rekenen. Ik had zijn hulp gewaardeerd en trok mijn portemonnee. Hij wees op een briefje van 2000 tenge, €3,50. Ik deed vandaag niet moeilijk. Hij had nog maar net de trein verlaten of het fluitsignaal klonk. Als de fiets geweigerd was, had ik nooit in dit tijdsbestek de opslag van mijn fiets kunnen regelen. Ik dacht liever niet na over de ellende die dat had opgeleverd.
In de avond had ik geanimeerde gesprekken met mijn medereizigers. Al in Turkije had ik me aangewend om, als mensen stug in een onbegrijpelijke taal tegen je blijven praten, gewoon terug te praten, in het Nederlands. Ik vertelde gewoon dat wat ik anders ook had verteld tegen Nederlandse vreemden. Ik probeerde er woorden in te verwerken die begrepen werden, en probeerde te antwoorden als ik een vraag wél dacht te begrijpen.
In Shymkent stapte de halve coupé uit. In de nacht sliep ik zowaar enkele uren. Toen het licht was zag ik nog steeds die dorre buitenwereld, maar het was niet langer vlak land. Ik zag mooie, gele heuvels. Het contrast met de stad Taraz was groot. Taraz was weer heel anders dan Turkestan. Het was een groene stad vol bomen, parken en plantsoenen. Ik fietste naar de grens, verliet Kazachstan op dag 29 sinds mijn entree in Atyrau en kreeg in Kirgizië zestig dagen om China te bereiken. Dat moest voldoende zijn. Ik mocht al vrij snel klimmen, langs een stuwmeer. Het viel me zwaar en ik pauzeerde veel. In Kyzyl-Adyr ging ik naar het enige hotel op mijn kaart. Ik wilde volledig hersteld zijn om de Kara-Buura-pas (3303 meter) en de Chapchyma-pas (2843 meter) te bedwingen. Maar het hotel was in verval. ‘Er is hier geen hotel. Je moet naar Talas’, zei een minibus-chauffeur. Talas lag 58 kilometer in de verkeerde richting (noot: verwar Talas niet met Taraz, waar ik vandaan kwam). Wat nu? Ik vroeg het elders nog een keer. Er zou tóch een hotel zijn. Ik fietste in de aangewezen richting en herkende de naam die ik meegekregen had. Het was een restaurant. Ik vroeg of ik er kon slapen. Ja, dat kon. De kamer die me getoond werd was niet om blij van te worden, maar ik lag liever hier dan in mijn tent. Morgen zou ik iets beters gaan zoeken in Talas. Er was geen kamersleutel, wel een rare kerel die rondhing op de gang. Hij sprak me aan, maar ik kon er niets mee. Ik denk dat hij een mentale handicap had en dat combineerde met wodka. Hij liep doodleuk mijn kamer in. Het leek me beter eerst te gaan eten en me daarna pas met bagage en al te installeren. Dan kon ik me opsluiten met het haakje op de deur, aan de binnenkant. Toen ik gegeten had sjouwde ik mijn spullen naar de kamer. Daar was de man weer. ‘Poh no’, zei hij. ‘Porno?’, vroeg ik. Hij drukte de toppen van zijn linkerwijsvinger en -duim tegen elkaar en stak zijn rechterwijsvinger door het ontstane ovaal. Ja, dat was porno. ‘Porno. For money’, zei hij. Ik had net met succes gepind dus ik had nog niets nodig. ‘Doe dat maar met je vriendje’, zei ik, want hij deelde zijn kamer met iemand die nóg meer fascinerende uitdagingen had. Ik sloot me op en ging liggen. Later legde ik mijn buitentent, mat en kussen op het bed toen ik de vorige gasten begon te ruiken. Ik had een goede nacht.
Over een licht hellende weg reed ik naar Talas. De wind in de rug hief de vaartwind op waardoor ik een volkomen windstilheid ervaarde en fruit- en kamikazevliegjes me weer wisten te vinden. Ik nam een liter cola maar die gaf me geen energie. Cola was in mijn vorige fietsleven nog een belangrijke energiebron. Het gaf me urenlang kracht en ik droomde erbij weg. Ik had het weer gebruikt sinds de start in februari, maar twijfelde of het nog effect had. Ik kon dat beter beoordelen als het er echt om ging, als de reis echt zwaar was. Inmiddels was de reis echt zwaar, en cola deed me niets, niet in de steppe, niet hier. Geen extra kracht meer, geen dagdromerij. Alleen maar de harde realiteit. Jammer. Ik bereikte Talas. Ik was niet kapot, maar wel blij dat ik niet verder hoefde. Met moeite vond ik een matige kamer die weliswaar geen ventilator had, maar door de ligging buiten de invloedssfeer van de zon - en door de tocht - koel genoeg was. Ik ging akkoord. Tiussen de bedrijven door werd ik omhelsd door een aangeschoten officier die me vaarwel zei en vertrok. Voor het eerst mocht de fiets in de kamer. Ik dronk thee. Hoe lang zou ik hier moeten zitten? Mijn energie was nog niet terug en dat was logisch want in mijn lijf zat nog niet veel voedsel en ik had mijn eetlust nog niet hervonden. Maar de volgende dag begon ik weer echt te eten en de dag erop keerde mijn reislust terug. Bij de Gold Burger waagde ik me aan het grootste formaat shoarma-wrap. Dat heb ik geweten. Ik kreeg een soort loempia van 30x8x4 tjokvol vlees, saus, patat en salade. Halverwege kreeg ik twijfels, maar ik kreeg ‘m helemaal op. Met al die wifiloze kamers in Zhosaly, Turkestan, Kyzyl-Adyr en nu Talas was ik overigens blij een niet geringe voorraad boeken meegenomen te hebben op reis.
Na tweeënhalve dag had ik toch weer een matige laatste nacht. Wat was dat toch tegenwoordig met die slapeloosheid? Toch was ik fit. Ik reed 58 kilometer terug naar Kyzyl-Adyr en sloeg voldoende vocht in voor de bergtocht. Voedsel had ik al in Talas ingeslagen. Er zou lange tijd geen dorp of eetgelegenheid op mijn weg liggen. Over een vlakte reed ik op een gebergte af en het voelde alsof ik opnieuw de Pamir Highway (Tadzjikistan) ging trotseren. Het asfalt werd een kiezelweg en ik reed het gebergte in, een kloof met rivier. Vroeg in de avond bereikte de zon me niet meer en dat beviel me. Ik reed nog een uur door en zette toen de tent op langs de rivier, tussen bebossing in een smal deel van de kloof. Het leven was weer goed. Morgen mocht ik nog 1900 meter omhoog over kiezels. En er waren nog meer getallen: eerder al was ik 10.000 kilometer op weg op deze reis, en nu ook 160.000 kilometer in totaal. Morgen zou ik voor de 100e keer in deze tent liggen.
Om 8.30 uur was het nog maar 18°C, een ongekende weelde. Ik klom langzaam, door een mooie omgeving. Later kwam ik op een punt waar de klim serieuzer werd. Mijn taak werd loodzwaar. Mijn grootste achtertandwielen bleken al aardig versleten te zijn en ik kon ze op deze steile hellingen niet meer gebruiken. Ik moest duwen, kilometers lang. Na zowat iedere vijftig meter lopen moest ik op adem komen. Het kostte veel van mijn kracht. Er volgde een traject met haarspeldbochten met een milder percentage, maar ik had al veel energie verbruikt. Ik rustte een uur onder een boom, knapte ervan op en kwam nog een stuk verder. Het was warm geweest, maar vroeg in de avond niet meer. Het was een goed moment om te stoppen. Ik vond een weide met een klein horizontaal stukje grond. Overal lagen dode geiten. Waardoor kwam dat? Zaten hier wolven? Hoe dan ook, ik zat veilig binnen, op 2800 meter, en het werd heerlijk fris. Nog 500 meter naar de pas, zeven kilometer verderop. Een peulenschil onder normale onstandigheden, maar mijn omstandigheden waren nog niet normaal. Ik had een zware inspanning geleverd en… lag nu weer lang wakker in de nacht. Het was gekmakend. In de ochtend sliep ik alsnog een paar uur. Mijn start was goed, maar de batterij liep snel leeg. Steeds vaker moest ik rusten. Ik nam me voor naar de top te rijden en dan terug te keren. Ik vond het onverantwoord om in zo’n leeg gebied verder te rijden naar de tweede pas. Maar zelfs deze top haalde ik niet. Voor me lag de pas, 250 meter hoger, maar ik ging me er niet meer op stukbijten. Ik was duidelijk nog niet de oude. Ik had ook sinds Georgië niet meer echt geklommen. Ik keerde om. Plots was er wind en ik raakte verlost van de vliegjes. Afdalend realiseerde ik me wat een prestatie ik de vorige dag geleverd had: 1400 meter omhoog over kiezels in de warmte, lange stukken duwend. Tijdens de lunch werkte ik een alternatief uit: ik ging alsnog naar Osh, maar nu over Toktogul. Ook dan waren er passen boven de 3000 meter, maar er zou asfalt zijn. Het nadeel was dat ik weer naar Talas moest en opnieuw een stuk van 278 kilometer moest rijden dat ik in 2013 al eens reed, in tegengestelde richting. Het voordeel was dat mijn grotere plan intact bleef. Ik reed verder door die prachtige kloof en stopte vroeg om hier nog één keer te kunnen kamperen. Ik wilde niet stranden in Kyzyl-Adyr en een nieuwe ontmoeting met Porno-Man riskeren.
Mijn omstandigheden veranderden toen ik Kyzyl-Adyr achter me liet. Het briesje in de rug hief de vaartwind weer op waardoor de 44°C op mijn teller uitstekend merkbaar was. Ik bracht een kleine wijziging aan in mijn plan. Ik ging niet in de hitte kamperen, maar nog één nacht in het hotel in Talas verblijven. Dan zou ik koelte hebben van 16.00 uur tot 10.00 uur en dat kon ik goed gebruiken. Ik zou ook kunnen douchen, kleding wassen, theedrinken, eten in de Gold Burger en koel slapen. De praktijk was iets anders: ik had nu een andere, warmere kamer en bracht een aantal obligate uren nachtelijk waken door.
Rond tienen verliet ik Talas. Er schuurde iets aan. Ik stapte af en zag dat de achterdrager tegen de band schuurde. De schroefdraad van het reservebevestigingspunt aan de linkerkant was nu ook versleten en de bout was weg. Ik plaatste een nieuwe bout en zette de boel vast met tiewraps. Zolang er druk stond op de bout kon ik ‘m niet verliezen. Ik reed door een lange reeks dorpen maar plots was het afgelopen en had ik golvende heuvels om me heen. Met verderop yurts in het landschap zette ik in de avond de tent op langs een rivier, uit het zicht. Het was heerlijk fris op deze hoogte. In de ochtend klom ik de resterende 850 meter naar de Otmok-pas op 3326 meter. Ik daalde 600 meter af en kwam terecht op de kruising waar ik in 2013 ook geweest moest zijn, al herkende ik niets. Ik lunchte in een huiselijke eetgelegenheid, met een spelende peuter op de vloer en een vrouw met baby in een zijkamer. Wat volgde was de klim naar de Ara-Bel-pas op 3175 meter. Het stijgingspercentage was laag maar ik had er moeite genoeg mee. Ik denk dat ik op 60% zat van de kracht die ik in Georgië had. De lange afdaling was prachtig, met veel variatie in het landschap. Als ik in de koelte had willen slapen had ik om vier uur moeten stoppen, maar omdat ik geen ellenlange avond wilde rolde ik door tot zeven uur. Ik kon niet verder, want daar was het open gebied waar het enorme Toktogul-reservoir lag. Ik zou er waarschijnlijk geen beschutting vinden. Ik moest in het gebergte blijven om in de ochtend niet al om vijf uur geroosterd te worden. Ik vond met moeite een kampeerstek in de bebossing tussen weg en rivier en schrok toen ik zag dat het 35°C was. Niet lang geleden droomde ik op naïeve momenten nog over het koele bergstaatje Kirgizië. Als ik al met al mijn weersomstandigheden van de afgelopen vijf maanden resumeerde kwam ik ruwweg op drie weken vorst, dan tweeënhalve maand regen, dan eindelijk een maand aangenaam weer en nu alweer drie weken bloedhitte.
In de stad Toktogul begon mijn fiets vreemd te wiebelen. De bagagedrager zat goed vast en met het wiel was niets mis. Ik haalde alle bagage van de fiets. Ik zag vlot wat er aan scheelde. Het frame was gebroken, aan de rechterkant, op het smalste deel, nabij de achteras. Er stond al vlot een man naast me. Hij heette Ramir. ‘Problem?’, vroeg hij. ‘Yes, problem.’ Ik liet het euvel zien. Hij wees naar de open werkplaats aan de andere kant van de weg. ‘Neem mee’, gebaarde hij. Ik verhuisde alles naar de werkplaats. Daar was Zamir en hij bekeek de fiets. Hij ging aan de slag en Ramir assisteerde. In vijf minuten was de breuk gelast. Zamir hoefde geen geld. ‘Thee?’, vroeg hij. Even later zat ik aan de eettafel. Thee werd koffie toen ik de keus kreeg, en ik kreeg een bord rijstepap. Er volgden broodjes, en bramen, en lokale delicatessen zoals kurut (zoute, kurkdroge kaasballetjes) en iets dat een gehard mengsel leek van melk, vet en bouillon. De vrouw des huizes sprak een paar woorden Engels, de zoon communiceerde via een vertaalsite en de kleinzoon sprak nog niet. Van moeder kreeg ik het een en ander toegestopt voor onderweg. Later, bij een stop bij een supermarkt, kreeg ik van een man een toastbrood, een pot sprot en een pak worsten. Iets ervoor had ik een plastic fles gevuld met thee gekregen. Kirgiezen zijn nog guller dan Kazachen. Ik waardeerde de vrijgevigheid en het mooie uitzicht op het blauwe Toktogul-reservoir met de fraai gevormde en gekleurde bergen eromheen, maar wat had ik graag wat warmte omgezet in energie. Aan het eind van de dag bleken een motel en een hostel op mijn kaart beide visrestaurants te zijn en was ik opnieuw veroordeeld tot een warme nacht in de tent.
Ik liet het reservoir achter me en klom ruim 500 meter door de bergen. In Karakol lunchte ik in een eenvoudig restaurant: goulash en een grote pot thee. De hoogzwangere mevrouw die de zaak leidde hoefde er niets voor te hebben. Er volgde een langgerekt, geïsoleerd gebied: een kloof met daarin de blauwe Naryn, die hier feitelijk ook een reservoir was, of voor mijn part ‘stuwrivier’. De weg was een achtbaan. Het was bewolkt en voor het eerst sinds tijden had ik aan het eind van de dag energie over. Het was evengoed heet in de tent. In de nacht was er regen. Ik vond dat aanvankelijk aangenaam maar kon er niet door slapen en plaatste de buitentent, die ik niet vaak meer gebruikte. Na een degelijke nacht, nu al meerdere op rij, kwam ik na elf kilometer aan in de kleine stad Tash-Komur. Het was het einde van mijn traject door de bergen; vanaf nu zou ik vooral door landbouwgebieden rijden. Er waren veel meloenverkopers langs de weg. In Shamaldy-Say, waar ik in 2013 komend vanuit Oezbekistan Kirgizië binnenreed, werd ik uitgenodigd door een jongeman om langs de weg watermeloen te eten met hem en zijn twee vrienden. De aangereikte stukken gingen vlot naar binnen bij de huidige temperatuur. Langs de grens met Oezbekistan reed ik daarna van dorp tot dorp, ouderwets energiek, tot ver in de avond. Nabij Jalal-Abad, waar ik in 2016 verbleef op weg van Bishkek naar de Pamir Highway, vond ik een klein, verscholen stukje openbaar groen om te kamperen tussen de lappen landbouwgrond. Het was zowaar aangenaam in de tent; het koelde vlot af. In de nacht regende het en in de ochtend was er zware bewolking. Bij vertrek begon het opnieuw te regenen. Ik had er vaak om gesmeekt, maar de dag ermee beginnen is anders dan er op een hete dag door verfrist worden. Ik begon aan mijn laatste honderd kilometer naar Osh, de stad die ik in 2016 rechts liet liggen. De regen nam toe, en later waren daar weer de twee-minuten-opklaringen die ik nog zo goed kende uit Montenegro, Bulgarije, Turkije, Georgië en Armenië. ‘Hitte trekt alle energie uit je lijf. Bij regen blijft je energie tenminste bewaard’, zo had ik pas geredeneerd, maar nu ervaarde ik opnieuw dat regen alle motivatie uit mijn lijf trok. En motivatie had ik ook hard nodig. Ik werd geweerd op een tolweg en moest via Özgön naar Osh rijden, wat de slotafstand enigszins vergrootte. Iets voorbij Özgön werd ik halverwege de middag overgehaald om in een Italiaans restaurant te komen eten. Ik had nog geen degelijke lunch gehad en zat iets later in mijn regenkleding spagetti te eten. Er was zowaar wifi, een zeldzaamheid, en ik vond een leuk geprijsd onderkomen in Osh om te kunnen verblijven. Ik boekte meteen al voor de huidige dag, dan was mijn lange lijdensweg tenminste ten einde, maar moest dan wel nog 55 kilometer afleggen. Het werd een race tegen de klok, met taaie stukken door de heuvels. Tegen negenen kwam ik in de duisternis aan bij het guesthouse. Het was een afzonderlijk complex - de familie die het beheerde woonde in de nabijheid - en er waren geen andere gasten, dus had ik het fraaie complex, met keuken en wasmachine, voorlopig voor mezelf. Na een douche hield ik me al vlot bezig met de hamvraag: hoe nu verder, nu de hitte me zo veel parten speelde? Ging ik het vervolg uitstellen? Ik bekeek de langjarige weerstatistieken voor de steden die voor me lagen. Het beeld was heel simpel. Op mijn volgende etappe zou het warm zijn en dat zou het blijven tot september. Als ik zo lang zou wachten met de herstart zou ik doodvriezen als ik eenmaal in Mongolië was. Gewoon weer verder reizen, op de kiezen bijten en er het beste van hopen, dat was het beste wat ik hier kon doen.
Maar wel na een iets ruimere onderbreking dan anders, want het is heerlijk hier bij de airco, ik kan me een langer verblijf veroorloven (in China en Mongolië gaat de 30-dagen-stopwatch weer lopen) en ik worstel ondertussen nog steeds met de destructieve gevolgen van de antibiotica. Misschien moet ik die speciale antibiotica die ik in mijn eerste fietsjaar geregeld nam weer eens gaan gebruiken, dat doorzichtige brouwsel dat je hier overal kunt krijgen, met een alcoholgehalte van 40% of hoger. Daar word je ook nog eens vrolijker van.
P.S. Mijn treinticket zat gewoon in mijn paspoort.
__________________________
Mijn boek ‘Vinnig meppen met een bos tulpen’, over de eerste twee jaar van mijn fietsleven, is bij de boekhandels verkrijgbaar, of tegen gereduceerd tarief bij:
-
17 Juli 2025 - 14:45
Corriebeute@hotmail.com:
Bandit mm bedje in t ziekenhuisxgenoten van je verslag.hou je lief goed in de gaten en geniet
-
20 Juli 2025 - 17:01
Willy :
Wat heb je ihet n dit reisverslag zwaar de hitte, je gezondheid die je in de steek laat. En toch vindt je steeds dat beetje kracht om weer door te gaan. [e-1f4aa] en genieten vd mooie natuur op grote hoogte en de lieve mensen op je pad. Ik hoop dat je gezondheid en kracht ondertussen weer helemaal hersteld is en je weer kan genieten vh fietsen en alles eromheen. En dat de Cola/ Sinas ook weer de gewenste energie zal leveren!! [e-1f609]
Reageer op dit reisverslag
Je kunt nu ook Smileys gebruiken. Via de toolbar, toetsenbord of door eerst : te typen en dan een woord bijvoorbeeld :smiley