De Verrekte doch Verrukkelijke Vuurbal
Door: Richard van Dijke
Blijf op de hoogte en volg Richard
20 September 2025 | Mongolië, Ulaanbaatar
In het hotel in het Chinese Alashankou was een wasmachine. Het meisje van de receptie assisteerde me bij de bediening ervan. Ze liep op schattige grote sloffen. Ze was niet kinderachtig bij het toevoegen van waspoeder. Toen ik een uur later terugkwam liet ze weten dat er heel veel schuim was geweest, en dat ze een aanvullend programma had gedraaid. Ik keek in de machine. Het wasgoed was duidelijk niet gecentrifugeerd. ‘We hebben geen wasrek’, liet het meisje weten. In de kamer spoelde en kneep ik de kleding nog eens uit. Ik moest creatief zijn bij het vinden van ruimte in mijn kamer. De badkamer en kledingkast kwamen vol te hangen en mijn sokken hing ik uiteindelijk met knijpers aan het blad van de airconditioning; dat kon-ie wel hebben.
Ik had deze dagen opnieuw kennisgemaakt met wonderlijk, vaak vacuüm verpakt Chinees voedsel. Zo at ik slakken; ze waren zo klein dat ik moest priegelen met een tandenstoker en een nagelschaartje. Op mijn laatste avond at ik buiten de deur en kreeg een groot bord varkensvlees, vooral spek, en witte broccoli. Het smaakte geweldig. Over de lauwe, slappe thee zonder suiker die in China geserveerd werd bij het eten was ik minder enthousiast. Ik liep nog een laatste keer door de neonwereld die zo anders was dan Kazachstan en vertrok de volgende ochtend voor een tocht van tien dagen naar Mongolië.
Ik wilde de bergroute naar Toli nemen, die leek me interessanter dan de hoofdroute naar Kuytun. Die laatste route was een ingewikkelde route die wijd om de snelweg slingerde. Ik kwam al vlot bij een politiepost. De provincie Xinjiang waarin ik me bevond kon bijna beschouwd worden als een autonome politiestaat, maar was voor reizigers een stuk bereisbaarder dan voorheen. Toch zou ik gaan merken dat afwijkende reisplannen hier niet gewenst zijn. Een kwartier lang beantwoordde ik vragen en wachtte, daarna kon ik verder. Ik reed een klein, ruw gebergte in. Het was wonderlijk hoe vlot ik uit de bewoonde wereld was. Van een enthousiast Chinees paar kreeg ik fruit; de man wilde ook ooit nog eens zoiets doen als ik. Er volgde een lange weg langs de steppe naar een groter gebergte. Veel politieauto’s passeerden me. Ik werd al vlot aangehouden door een van hen. Opnieuw mocht ik mijn paspoort tonen en vragen beantwoorden. Ik reed net weer een kwartier toen ik opnieuw werd aangehouden. Na enige vragen liet de agent een regel tekst zien op zijn telefoon: ‘Can you keep on riding?’ Dat vond ik een merkwaardig verzoek; ik was niet degene die zorgde voor oponthoud. Maar de betekenis werd me snel duidelijk. Eigenlijk was de mededeling niet compleet en had de tekst ‘…then we will follow’ nog toegevoegd moeten worden. Traag reden ze achter me aan, op enkele honderden meters. Dit was niet mijn idee van een leuke fietstocht. Na een kwartier draaide ik om. De agent toonde een regel tekst: ‘You don’t go to Torry?’ Inderdaad, ik ging niet langer naar Toli. Na opnieuw Alashankou doorkruist te hebben met inmiddels ruim twintig kilometer op de teller was er weer een post. Het kostte me bijna een half uur. Of ik zo gehoorzaam wilde zijn om in Bole te overnachten in een hotel. Bole lag te ver uit mijn route, en dat zei ik ook. Misschien had ik gewoon ‘ja’ moeten zeggen. Hoe dan ook, ik mocht verder. Het zou voorlopig de laatste politiebemoeienis zijn. Ik maakte een lange omweg naar Shuanghe, langs afwisselend landbouw en steppe. In een stuk wildernis dat gebruikt werd om vee te laten grazen kampeerde ik tussen boompjes. Een lange traditie eindigde: ergens in Europa besloot ik melk te gaan drinken in de avonden om niet de hele dag frisdrank te drinken (met een kleine onderbreking in de Kaukasus), maar in China was nauwelijks melk te vinden. Wel waren er flessen vruchtensap van tweeënhalve liter; dat betekende evengoed een vracht suiker, maar het was net even voedzamer dan frisdrank. Wildkamperen was verboden in Xinjiang dus moest ik voorbereid zijn op de vragen: ‘Waar heb je overnacht?’ en ‘Waar ga je overnachten?’ Deze nacht had ik zogenaamd in Bole overnacht. Na de herstart had ik vlot problemen: de weg was afgezet, mijn telefoon bleek te zijn leeggelopen en plots was mijn voorband lek. In de hitte verving ik de band en legde mijn telefoon aan de powerbank. De bewaker die bij de afzetting stond liet me door en zo kon ik over een verse asfaltweg fietsen. Daar was ik blij mee want ik was al met een omweg bezig: inclusief mijn uitstap in de richting van Toli had ik de vorige dag 113 kilometer gereden, maar was slechts 44 kilometer dichter bij mijn doel, de stad Takeshiken bij de Mongoolse grens, gekomen. Er eindigde opnieuw een lange traditie: China kent geen picknickplaatsen en dus lunchte ik in de berm. Later werd ik verenigd met de snelweg en eindigde mijn puzzeltocht. Vanaf nu zou ik steeds op wegen rijden die parallel aan snelwegen lagen. Het betekende lange einden rechtuit, vaak met een klein hellingspercentage, terwijl ik nog niet de kracht in mijn benen had die ik gewend was. Ik had het idee dat ik bij meerdaagse stops sneller spierkracht verloor dan in mijn vorige fietsleven. Het was misschien maar goed dat ik weerhouden werd de bergroute naar Toli te rijden.
Ik had een lekke achterband, de tweede al op één dag, en ik had de voorband ook al bij moeten pompen. Er lag veel draad uit kapotte banden en glas op de weg, maar in de meeste pechgevallen trok ik een scherp stukje natuur uit mijn banden. Ik stelde het plakken meestal uit en omdat ik nog een lekke band had van de vorige dag zou ik er de volgende ochtend in de tent vier mogen plakken.
Er lagen weinig dorpen op mijn route en soms hadden ze weinig meer dan een nummer. In regiment 124 kocht ik een nieuwe voorraad Sprite. Ik had altijd de voorkeur gegeven aan Fanta, maar dat zag ik na Alashankou niet meer. In de supermarkt werd ik ondervraagd door agenten. Er werd niet gevraagd waar ik sliep en ik had niet de indruk dat ik op de huid werd gezeten.
Ik reisde naar het oosten maar er lag een woestijn van honderden vierkante kilometers, en de wegen die ik kon gebruiken lagen eromheen. Ik kon nog een klein stuk doorrijden naar Kuytun, de stad die ik als locatie van mijn vorige blog had gebruikt, maar ik boog alvast af naar het noorden. Ik liet bewoonde gebieden en zonnepanelenparken achter me en poogde in de steppe te kamperen achter bergen grind, maar hoorde een herhaalde elektronische boodschap en zag een camera. Snel reed ik weer verder tot ik geen spoor van menselijke aanwezigheid meer in het landschap zag en kampeerde achter bebossing, een halve kilometer landinwaarts.
In regiment 125 lunchte ik in een verlaten en enigszins verwaarloosd park met een plein en monument. Bij het verlaten van het dorp gaf een automobilist me twee trossen druiven. Mijn kracht was helemaal terug en ik had veel energie, maar de zon deed zijn best om dat af te pakken. Het was een van de dingen die ik had geleerd in mijn fietsbestaan: de zon onttrekt energie aan het menselijk lichaam en verstrekt dat aan gevleugelde machientjes om DNA te kunnen verzamelen. Mijn fietscomputer toonde 43,8°C, wat deze dagen uitzonderlijk heet was. Toen de wind wegviel wisten de gevleugelde machientjes mijn gezicht te vinden. In de avond was er bewolking en de Verrekte Vuurbal verdween erachter. Ik vond een kuil in het landschap en kon er met tent en al in verdwijnen. De aarde was gebarsten en had zelf ook kuilen, maar door een groot wonder lagen hier stukken dik karton ter grootte van mijn grondzeil, en zo had ik een vlakke ondergrond. In een openstaande tent at ik druiven en een halve worst. Het was nog steeds dik dertig graden.
De volgende dag was het zwaar bewolkt, maar de nefaste invloed van de zon deed zich alsnog gelden en ik mocht drie keer de struiken in. Mijn lijf kon echt geen hitte meer verdragen. De laatste aandrang kwam net op een moment dat ik een lekke achterband verving. Tassen en losse uitrusting lagen verspreid om me heen. Goddank zakte de nood tijdelijk en kon ik de klus afmaken. Ik nam pillen om meer leed te onderdrukken.
Baijiantan was groter dan ik dacht. Ik verving er een lekke voorband onder grote belangstelling van buurthuisbezoekers en kocht nieuwe Sprite. Ik zag mooie, typisch Chinese parkjes en loopbruggen. Ik miste de schoonheid in dit land tot dusver. Xinjiang was eerder rommelig of simpelweg functioneel. Er volgde een lang trajact met links en rechts jaknikkers. Er moeten er duizenden gestaan hebben, tot aan de horizon. Ik vreesde dat het nooit zou eindigen, maar er was verderop toch weer ruimte voor steppe zonder industriële bedrijvigheid. De zon liet zich helaas ook weer zien en de wind blies in mijn rug. Met een net over mijn hoofd reed ik de dag vol. Gelukkig ontstond er wat reliëf en zo liep ik met de fiets aan de hand de heuvels in voor een nachtelijke onderbreking. De omgeving deed me aan Marokko denken, zeker ook door de ommuurde radiomasten die ik geregeld zag. Na een nieuwe dag door een steppe vol jaknikkers en langs geërodeerde zandsteenheuvels hield ik halt in Hoxtolgay. Ik had zo goed als nergens bereik gehad, ook niet in dorpen en steden, en vanwege familieomstandigheden leek het mij goed een wifiverbinding te hebben. Ik ging aldus mijn tiendaagse tocht in tweeën delen met een hotelovernachting. De eenvoudigste manier was om dat door de politie te laten regelen; zelf herkende ik hotels niet goed, wist niet of ze buitenlanders mochten toelaten en kende de prijzen en voorzieningen niet. Een politieauto reed langs en ik maakte oogcontact. Dat was al voldoende. Iets verderop wachtten twee agenten me op. Onze communicatie via onze telefoons was goed afgestemd: zij wilden dat ik in een hotel verbleef en ik deze dag ook. Ik kon achter ze aan rijden naar het hotel dat ze op het oog hadden. Voor zestig yuan (nog geen €7,50) kreeg ik een praktische, kleine kamer met badkamertje en airco. Het was bijna perfect, op de rooklucht na, want roken is in China geoorloofd in hotels – maar ik had zoals gezegd een airco. Waar kon de fiets staan? Buiten, zo gebaarde de hoteleigenaar; er stonden twee camera’s op gericht. Ik bleef net zo lang nee schudden op dit voorstel tot de fiets in het hotel in een halletje kon staan. Toen ik in mijn kamer was wilde ik thee zetten. De stekker van mijn waterkoker paste echter niet in het stopcontact. Er was weliswaar een waterkoker in de kamer maar deze had aan de binnenkant zo’n laagje ‘yoghurt’, en ik had geen tijd voor - of zin in - een grondige poetsbeurt. Plots herinnerde ik me dat ik een allround-reiziger was en alle potentieel benodigde reisstekkers gewoon al een half jaar meezeulde.
De middag erop was een lastige middag. Ik schreef al eerder over het probleem. Het was bijna een dagelijkse irritatie en het werd onderhand gekmakend. Altijd had ik geïnteresseerden verteld dat fietsen in de hitte niet zo’n probleem was omdat je door te fietsen zelf wind creëert, vaartwind, waardoor fietsen zoveel frisser is dan lopen of staan. Dat gold tót deze reis. Inmiddels reed ik al maanden met een wind in de rug die me altijd volgde, in het bijzonder op hete dagen, met dezelfde snelheid als ik waardoor de vaartwind opgeheven werd en ik volkomen windstilte ervaarde. Er was geen groter genot dan te stoppen met fietsen en plots de wind te voelen, maar met stoppen kwam ik geen stap verder. Deze dag fietste ik al met een net om mijn hoofd maar werd gek van de vliegen op mijn armen en vingers. Ik stapte af en zocht diep in een achtertas naar een longsleeve en wanten. Ingepakt en wel reed ik verder. Liever nog meer warmte dan dat geklier op mijn huid. Daarna was er dat andere gekmakende probleem. Voor de derde dag op rij slikte ik pillen om krampen en inmiddels loze aandrangen te onderdrukken. Later ging de eeuwige eenprocentshelling me tegenstaan, maar toen verbeterde de situatie. De zon verdween achter de wolken en een vrouw en haar dochter, zo vermoedde ik, wachtten me op en overlaadden me met lekkernijen. Ik had juist Bag Urtubulag bereikt en pauzeerde op een trimattribuut. Na het nabijgelegen Ih Urtubulag leek er een verandering op te treden: ik zag meer vee en tenten. Ik naderde Mongolië. De plaatsnamen klonken hier ook al Mongools. De zon keerde terug maar het werd niet heet meer. Zou het langzaamaan voorbij zijn? Zouden dagtemperaturen nu in de twintig graden blijven? In het landschap zag ik gaten waarin ik kon verdwijnen. Er was een ruim gat op voldoende afstand van de weg. Er was veel afval gedumpt maar ik vond er een schone hoek.
Ik liet de tenten en het vee achter me en kreeg nu een woestijn te zien. Ik had niet verwacht in zo’n mooi gebied te komen. Sinds enige tijd was het ook weer kurkdroog; klam vocht in kleding en schoenen verdween vanzelf. Des te vreemder was het een groot meer te zien. Feitelijk was wat ik zag slechts een kleine uitstulping van een enorm meer of binnenzee met een eigen getijde. Een auto stopte en een man gaf me een flesje Chinese thee. De dag eindigde in Beitun. Omdat de overnachting in Hoxtolgay zo goed bevallen was, vatte ik het plan op om ook hier te overnachten, maar Beitun was te groot, te onoverzichtelijk. Ik wilde een politiewagen aanhouden – het hoefde niet altijd van één kant te komen – maar ik vond geen politie en geen hotels. Ik koos eieren voor mijn geld en gebruikte het resterende daglicht voor bevoorrading en het zoeken naar een kampeerplaats. Ook qua bevoorrading koos ik eieren voor mijn geld. Buiten Beitun was er langs de weg wat wildernis en de tent kwam tussen enkele bomen te staan. Binnen nam ik de drie zojuist aangeschafte vacuüm verpakte, gekookte eieren uit de tas. Een gepeperde vloeistof gaf ze een bijzondere smaak.
In een stad moet je vaak kracht zetten op de pedalen, bijvoorbeeld bij verkeerslichten, en in Beitun was mijn ketting meermaals doorgeschoten. Nu deed hij dat ook op lange einden, in willekeurige versnellingen. Er viel niet meer met goed fatsoen te fietsen. Goddank was er een winkel met alles wat ik nodig had: schaduw, ruimte, een zitbank en een fontein. Ik wisselde de ketting voor de andere, net iets minder versleten ketting - ondertussen ging de winkelier met gezin en al met me op de foto -, waste mijn handen in de fontein, deed boodschappen en lunchte op de bank: maisworstjes, gepeperde rauwe kool en Pepsi. Gekoelde Pepsi is er vaak alleen in kleine flessen, meestal 0,5 liter, maar het is hier niet onrendabel om kleine hoeveelheden te kopen. Je koopt er indien nodig eenvoudig wat bij. Verlost van doorschietmalaise reed ik verder en werd verrast: ik reed opnieuw een woestijn in. Ik keek op de kaart en zag dat ik lange tijd geen voorzieningen meer hoefde te verwachten, maar die had ik ook niet nodig; ik kon weer 24 uur en daarmee zo’n 110 km vooruit. Na een middag met vele kamelen beëindigde ik de dag in een mooi, licht golvend landschap. Ik trok mijn wanten en longsleeve uit en wist dat één vorm van bescherming kon vervallen: in de avond en ochtend was de zon inmiddels geen bedreiging meer; de temperatuur was dan laag in de 20°C. Ik hoefde alleen nog maar uit het zicht te liggen van het verkeer en dat vergrootte de kampeermogelijkheden.
In de volgende namiddag werd ik zowaar weer eens ondervraagd door politie langs de weg, maar ik kreeg zo langzaamaan het idee dat het de politie feitelijk geen fluit interesseert waar ik overnacht. Ze vragen het wel, maar ze vragen niet door. ‘Ik zal proberen een hotel te vinden’ volstond als antwoord. Ik kreeg twee flesjes thee van ze en kon die goed gebruiken, want ik zat niet ruim in mijn drankvoorraad in deze lange leegte. Ik reed een klein gebergte in. Was dit al een stukje Altaj-gebergte? Ik vatte het plan op om er overnachten maar trof bouwsels aan op de paden die ik uitprobeerde. Ik reed de bergen weer uit en mocht toen nog twaalf kilometer langs een oase rijden - er was hier een rivier met bomen erlangs en huizen - om de bewoonde wereld achter me te laten. Met een klein uur vertraging stond ik later alsnog met mijn tent in de heuvels. Ik dronk van de thee. Waarom smaakte hier de thee, of Chinese dranken in het algemeen, zo vreselijk? Mijn flesjes thee waren niets anders dan lauwe thee zonder suiker. Met toevoeging van twee scheppen per mok viel het te drinken. ’s Avonds kwam ik even de tent uit. De hemel was fantastisch hier, met mooie witte vlagen. Er was nauwelijks licht rondom me.
Het was zaterdag 30 augustus. Ik dacht terug aan de laatste paar jaren in Nederland. Ik was steevast melancholisch in deze tijd: het waren de laatste dagen van augustus, de herfst zou snel volgen. Ik herinner me dat ik in een zeker jaar reeds mijn wanten aan had toen ik eind augustus om vijf uur ’s morgens fietsend naar mijn werk ging. En nu? Nu droeg ik ook wanten, om een andere reden. Voor de rest kon de herfst me niet snel genoeg komen. Toch wist ik ook dat één ochtend regen zou volstaan om de zon weer gretig te verwelkomen.
Na 136 nachten had de tent zijn eerste mankement: de rits die ik het vaakst gebruikte ging niet soepel meer open. Ik behandelde hem met kaarsvet en alle soepelheid was terug. Ik brak de tent af, en twee kleine schorpioenen haastten zich weg toen ik het grondzeil wegtrok.
Ik reed twaalf kilometer en zag een tankstation. Tankstations zijn hier uitgerust met een slagboom en security, en omgeven met scheermesdraad. Ik vroeg de security of er een tankshop was. Ik mocht passeren en zag enigszins verbaasde blikken bij het personeel. Ik kocht twee colaatjes en reed verder. Later lunchte ik in een duiker: het laatste blik vis uit Kazachstan, op mijn laatste fietsdag in China. Ik kreeg nieuwe stukken gebergte te zien en mocht er hier en daar doorheen klimmen. Het zag er fantastisch uit. Tegen vieren naderde ik Takeshiken. Reeds hier al was er een ‘border post’. Er was een klein oponthoud en na de gebruikelijke vragen kon ik door. Takeshiken had volgens Osmand drie hotels en meer vond ik er zelf ook niet. Het was een doodse plaats; er waren weinig mensen om iets aan te vragen. Ik probeerde het hotel aan de hoofdweg en vond er wat ik nodig had. Het hotel had zijn beste tijd gehad, maar ik waardeerde de charme van het oude tapijt, het klassieke behang en de degelijke gordijnen in mijn ruime kamer.
Takeshiken was aan drie zijden omgeven door zeer nabijgelegen bergen. Ik vind het altijd bijzonder als er pal naast een stad een imposante bergwand zichtbaar is. Takeshiken was anders dan het China dat achter me lag. Ik noemde de stad al doods. Veel zaken waren dicht, andere open maar met een duister interieur. Rond het busstation was meer leven en ik kon me er bevoorraden voor de lange tocht naar Ulaanbaatar, een tocht van 1763 kilometer die ik in twintig dagen hoopte te voltooien.
Op de avond voor mijn herstart probeerde ik uit eten te gaan. Ik vond een kleine eettent met enkele afbeeldingen van gerechten aan de muur, maar er was maar één gerecht: met gehakt gevulde noodles. Ik had iets anders in gedachten. De oude uitbaatster belde haar dochter, die vervolgens mijn wensen aanhoorde: vlees en groenten. Ze vroeg of ik vijf minuten kon wachten. Het werd ruim een kwartier maar toen kwam ze binnen. ‘Stir-fry beef and vegetables?’, liet ze me lezen en ik knikte. ‘Aardappels?’ Prima. Een politieagente kwam binnen, sneed vlees aan een tafel en liep ermee de keuken in. Beide dames kookten en de oude vrouw gaf me een grote kom met een gele vloeistof. ‘Tea’, verduidelijkte dochter één. Het was lauw en smaakte naar maissoep, en dat was beter dan wat er normaal doorging voor thee in dit land. Dochter één presenteerde na twintig minuten een rechthoekig bord met schijfjes aardappel, vlees en rauwe ui. Dochter twee, die inmiddels haar uniform had uitgedaan, deed er een broodje bij. De maaltijd was oké; iets prijziger dan ik gewend was, maar er was al met al dan ook veel moeite gedaan om deze toeristenmaaltijd op tafel te krijgen. Ik vulde mijn voedselvoorraad verder aan in een kleine supermarkt die ik eerder bezocht had en de vriendelijke verkoopster gaf me een tasje met drie trossen druiven mee.
Terwijl ik me eerder nog wat ongemakkelijk voelde bij de gedachte om naar een nieuw land te gaan en daar zo’n twintig dagen achtereen te fietsen voor ik rust zou krijgen, voelde ik me op de dag van vertrek uitgedaagd. Ik had geen moeite meer mijn cocon te verlaten. Het was fris in een shirt en ik schrok van de temperatuur. Het was 14°C, maar de zon brak door. Ik reed ruim vijftien kilometer naar de Chinese grenspost. Ik moest met fiets en al het gebouw in, want de bagage moest door een scanner. Er volgde een eindondervraging. Ik stond voor een loket met een beambte naast me die Engels sprak. Waar ging ik heen na Mongolië? Waar kwam ik China weer in? Waarheen ging deze volgende reis in China? In welke steden was ik geweest de afgelopen tijd? Het aardige was dat mijn uitspraak van Chinese namen niet werd begrepen, dus echt wijzer werden ze niet. Er werd ook onderling gedold. De man naast me gaf mijn Engelse antwoorden met ingehouden lach door aan zijn collega achter het loket, die op zijn beurt licht geïrriteerd raakte omdat zijn Engels minder goed was. Hij had ook veel eerder genoeg van mijn opsomming van steden dan de beambte naast me, en zette een stempel in mijn paspoort. Ik kon China uit. In Mongolië kreeg ik bij een loket meteen een stempel na beantwoording van de vraag wat mijn bestemming was. ‘Ulaanbaatar’ was een goed antwoord. Voorbij het loket was er een scanner, maar mijn fiets met bagage stond buiten, en ik liep door. Niemand zei of vroeg iets. Ik liep terug naar mijn fiets. Was dit het? Kon ik echt zonder bagagecontrole Mongolië in? Nee. Een soldaat sommeerde me mijn bagage van de fiets te nemen en opnieuw naar binnen te gaan. Het was even een gedoe, maar achteraf viel het mee. Ik mocht de slagboom door. Ik was nu toch echt in Mongolië. Ik had het gedaan: vanuit de ouderlijke achtertuin naar Mongolië gereden. Ik had weliswaar gebruik moeten maken van een trein en enkele korte vluchten, maar door mijn omzwervingen in Kirgizië, waar ik steeds doodliep, had ik meer kilometers gemaakt dan strikt nodig waren om hier te komen. Ik reed het wijde Mongolië in. Land 75. Het zag er prachtig uit: een kruising tussen steppe en woestijn met links en rechts bergen in vele tinten. Het eerste leven kon ik verwachten in Bulgan, op 44 kilometer. Ik reed een uur, lunchte langs de weg en na nog tweeënhalf uur bereikte ik Bulgan. Met gemak vond ik een geldautomaat en een kleine supermarkt. Ik was blij weer melk te vinden. In een andere winkel kocht ik weer groenten in blik. Het was fantastisch om in een nieuw, vreemd land rond te lopen, met weer andere gezichten, weer net even anders dan Chinezen en Kazachen. Kinderen groetten, volwassenen leken gereserveerd. Na Bulgan volgde een lange, lichte klim. Ik pauzeerde bij een picknickplaats – ze keerden terug op mijn route – en kreeg het daarna aan de stok met fruitvliegjes. Later verdwenen ze toen het kouder werd. Ondanks de late start en een grensovergang zette ik een volwaardige dagafstand op de teller en iets na achten ging ik kamperen in deze fantastische nieuwe wereld. De tent kwam in een geul op een helling, net in een bocht waar ik uit het zicht van de weg stond.
In de ochtend besteedde ik een half uurtje aan het staren naar kaarten. De hoofdweg maakte een rare kronkel naar het noorden en dan weer zuidwaarts, maar ik kon een stuk van de omweg afsnijden. Om de een of andere reden had ik die alternatieve route tot dusver over het hoofd gezien. Het was een weg van ruim 250 kilometer lang die op dertig kilometer na geasfalteerd was, en er was één dorp langs de route. Deze shortcut zou me 120 kilometer besparen, oftewel ruim een dag. Die kon ik wel gebruiken in mijn krappe schema; ik had maar dertig dagen om dit enorme land te doorkruisen. Ik ging het doen, ik ging de kortere weg nemen. Toen ik tegen half tien terug naar de weg liep passeerde er op enkele honderden meters juist een koppel fietsers. Ze zwaaiden en reden verder. Even later zag ik ze picknicken in de steppe. Het was een Frans stel en ze waren net als ik in februari begonnen. Vanuit Tbilisi waren ze naar Oezbekistan gevlogen, hadden de Tadzjiekse Pamir Highway bereden en door Kirgizië en Kazachstan gefietst. Ze waren ook sinds de vorige dag in Mongolië. Ze reden nog op de banden waarmee ze vertrokken waren. Ze hadden bij elkaar één lekke band gehad. Ik denk dat ik al aan de vijftig zat. De wonderbanden waarop ze reden hadden de naam Schwalbe Plus MTB. Ze zouden een andere route nemen naar Ulaanbaatar dan ik, hun dertig dagen eenmaal verlengen en half oktober naar huis vliegen.
Na twaalf kilometer was ik in Uyench. Het was het tweede dorp dat ik bezocht in dit land en daarmee was Mongolië direct al anders dan het in mijn voorstelling was geweest. Mijn idee was dat zo ongeveer alle Mongolen in Ulaanbaatar woonden en dat er verder buiten het verkeer hier en daar een man te paard voorkwam. Geen dorpen, en geen steden anders dan Ulaanbaatar. Een blik op de kaart was voldoende om mijn idee te herzien, maar toch niet drastisch. Ik moest in Uyench inkopen doen, want volgens de kaart hoefde ik zeker twee dagen niets te verwachten. Ik kocht onder andere drie tweeliterflessen prik (er was weer Fanta maar geen Fanta Orange, en ik kocht Fanta Druif, Fanta Appel en Fanta Ananas). Terwijl ik afrekende stormde er schooljeugd naar binnen. Buiten was de massa nog groter. Tientallen, misschien wel honderd kinderen hadden pauze en kwamen ijs en snoep kopen. Ik zorgde dat ik op een rustige plek terechtkwam om mijn etenstas opnieuw in te richten. De Fransen zaten ondertussen in een koffiebar. Veel gelegenheden hadden een extra functie als karaokebar. Ik verliet Uyench en reed een flink stuk tot ik een picknicktafel zag. Bij zware wind lunchte ik. De Fransen reden me weer voorbij, voor het laatst, want niet veel later wisselde ik van route. Mijn shortcut was ook populair bij vrachtwagens, zo merkte ik. Het werd een frisse, winderige middag, met mooie vergezichten, en soms zwaar, met lange klimmen. Ik zag ruim tachtig kilometer geen teken van menselijk leven, op een eethuis na, maar toen ik wilde stoppen was er plots een rivier, en waar een rivier is, is leven. Ik reed tien kilometer extra en vond toen een heuvel waarachter ik kon verdwijnen. Het was de hele dag niet veel warmer geweest dan 13°C en het werd nu snel koud. Kon de overgang naar de winter misschien iets trager verlopen?
De wanten en jas mochten aan, want het was 6°C. Het werd wel een zonnige dag, al zou het wederom niet warm worden. De hoogte ging nu ook meespelen: ik zat op ruim 1700 meter en moest naar 2700 meter. De weg bleef de rivier volgen. Later werd mijn omgeving iets wijder, totdat ik een gebergte in ging. Nu werd Mongolië iets aardser, minder fantastisch, met links en rechts bergwanden, en omdat de weg nog steeds de rivier volgde was er iedere paar honderd meter een yurt. Het klimmen ging weer goed, niet zo moeizaam als in Kirgizië. In de middag werd de klim mooier toen de bergwanden weken, met name door de zon op het woestijngeel van het gebied voor me. Na de pas volgde er een leegte met in de verte een meer óf een fata morgana, daar kwam ik niet uit. Na een aanvullende klim en een nieuwe pas kwam er meer variatie in kleuren: de omgeving werd behalve geel ook mintgroen en oudroze, en bergen hadden bruine pieken alsof er kastelen op de top stonden. Ik rolde een uur door en zag toen gesteente tegen de hellingen. Ik ging proberen erachter te belanden. Ik bleek er toch in het zicht te liggen, maar bij iets verder gelegen gesteente was er een kuil. Het was wederom koud, mede door de wind en ik was blij met mijn sweater en slaapzak.
3,7°C in de tent. De motivatie om op te staan ontbrak, maar dat veranderde toen de zon doorbrak. De hemel was onbewolkt. Ik reed naar Tsetseg, het enige dorp langs deze route. Ik kwam bij een afslag en het dorp bleek vijf kilometer landinwaarts te liggen. Dat ging ik niet doen. Ik vond een winkel langs de weg. Het was een toonbankwinkel maar ik mocht mezelf bedienen. Ik dacht melk te zien staan maar het was iets anders, iets dat in het Engels ‘curd’ heette, zo las ik op de verpakking. Ik had geen idee wat dat was en nam het mee. Ik reed langs een meer, dat deels wit was. Misschien was het half meer en half zoutvlakte. Het was duidelijk dat ik deze ochtend niet op de kaart had gekeken want na Tsetseg liet ik me weer verrassen met een klim van dik 350 meter hoogte. Op de dertig kilometer gravel was ik voorbereid, maar niet op – opnieuw – de klim die ik moest maken. Een dronken man zwalkte over de weg en poogde auto’s aan te houden. De oude en een nog onvoltooide nieuwe weg lagen naast elkaar en ik koos de weg waar de zatlap niet liep. Maar dat vormde geen moeilijke opgave voor hem: hij doorkruiste vijftien meter berm en wachtte me op. Toen ik bijna bij hem was stak ik op mijn beurt de berm over in de andere richting en hij was te traag om me bij te houden. ‘Ho’, riep hij meermaals. ‘Hey’, groette ik terug. Ik was ontsnapt, op een klim nota bene. Die klim beviel me niet en de kilometerslange trage stuiterafdaling ook niet. Ik verliet ondertussen de bergen, en daarmee het Altaj-gebergte, en zag in de verte weer de hoofdweg liggen die ik dagen geleden verliet. Ik was blij toen het gravel achter me lag, maar voelde me niet op mijn gemak: ik zag nu veel kuddes en herders terwijl de dag ten einde liep en ik mijn tent op wilde zetten. Ik reed nog menige kudde en hier en daar een yurt voorbij en kwam toen in een leger gebied, met in de verte een meer. Op de voorgrond zag ik een grote kuil en ik liep erop af. De kuil was diep genoeg voor de tent. In de avond ging ik rekenen. Met mijn shortcut kon ik me nu vier dagen vrij veroorloven in Ulaanbaatar en paste mijn Mongolië-route precies in 30 dagen. De ‘curd’ was overigens – hoe kon het anders – een soort vloeibare variant van de Kirgizische (‘kurut’) en Kazachse (‘kurt’) droge zuivelballetjes waarmee ik eerder kennismaakte. Er was suiker aan toegevoegd, waardoor ik het ‘Mongoolse biologische drinkyoghurt’ doopte.
Het was niet ver meer naar Darvi. Mongoolse dorpen wenden snel: een hoofdstraat met tien minimarkets, een aantal eethuisjes en nog enkele zaakjes waar ik niets te zoeken had. Ik deed inkopen in een minimarket. De vrolijke mevrouw toonde spontaan een flesje water en een blik bier, Royal Dutch maar liefst. Ik bedankte. Ze toonde vervolgens een blik waarop bloemetjes stonden en drong nogal aan. Ik accepteerde. Later bleek ook dat bier te zijn, Japans bier. Ik reed naar de speeltuin voor een lunch van brood met worst. Ik had op die korte rit naar Darvi al moeten bijsnacken (de gedroogde vruchten die ik als ontbijt nam en die leken op grote druiven van klei – kleidruiven – vulden niet echt de maag) en had nu behoefte aan een stevige maaltijd. Het brood was bevroren bij aankoop, en eenmaal half ontdooid bleek het erg droog te zijn. Ik realiseerde me pas tijdens de maaltijd dat er van Darvi tot de stad Altaj, 230 kilometer verderop, niets meer lag en dat ik nog niet afdoende bevoorraad was. In een nabije supermarkt langs de hoofdweg vulde ik alsnog de voorraad aan. De middag ging vlot en voorspoedig, met eerst veel vee en yurts en later leegte. Bij een ‘rest area’, om die Australische term maar weer eens van stal te halen, was er een betonnen scheiding tussen area en weg. Bij de scheiding zaten twee duiven in de schaduw. Ze schrokken van mij en vlogen op. Juist op dat moment kwam er een tegenligger. Ik hoorde een doffe klap. Misschien was het goede nieuws dat één duif de situatie overleefde. Hoewel… was het niet zo dat duiven onafscheidelijk zijn?
Ik reed en reed; pas bij 94 kilometer was ik aan een volgende pauze toe. Ik kreeg het idee dat momenteel de Mongol Rally werd verreden, want ik zag meerdere sjofele, bepakte vehikels. Aan het eind van de dag was er weer een lange reeks yurts in het land en vele kuddes van soms wel honderden schapen en geiten. Herders reden vaak op zware bromfietsen. Ik reed alles en iedereen voorbij, tot in de avondgloed, bij een opkomende grote witte bol. Nergens vond ik een kuil in de grond, en ik was genoodzaakt in het vlakke land te slapen, maar het was dermate laat en schemerig dat ik dat ongestoord kon doen.
Ik had een mooie taak. Er lag niets op mijn route deze dag dus mocht ik gewoon dik honderd kilometer voortrijden, om me heen kijken en muziek luisteren. Hoe anders was dit fietsleven dan het beeld dat ik ervan kreeg in 2016, toen ik in Alma-Ata mijn dagen sleet, wachtend op het moment dat mijn Mongoolse visum geldig zou zijn en lezend over fietsavonturen in Mongolië. Ik kreeg toen een negatieve indruk. Er zouden volop dronkenlappen zijn en bromfietsers die op een hinderlijke manier met je meerijden. Je kon iedere avond visite verwachten bij je tent, want het was onmogelijk om uit het zicht te raken. Mijn ervaring was heel anders. Ik had nog maar één dronkenlap geteld en nu, in de avond, was er dan toch eindelijk een bromfietser die in de nabijheid van mijn tent crosste. Later kwam hij terug en hoorde ik stemmen op afstand, maar niemand kwam bij mijn tent. Het zou uiteindelijk de enige keer zijn dat ik gestoord werd in de avonduren, maar ik deed dan ook veel moeite om te verdwijnen in het landschap en zonodig door te rijden tot aan de duisternis. En dan te bedenken dat ik vanwege die valse voorstelling destijds heb afgezien van Mongolië... Maar ik ben blij met die keuze van toen. Ik had Mongolië in en uit moeten vliegen omdat ik geen Chinees of Russisch visum kon krijgen, en er lag negen jaar geleden beduidend minder asfalt in Mongolië. Nu waren de omstandigheden zo veel beter.
Ik klom ruim 600 meter en dat ging uitstekend. Ik had de kracht weer die nodig was. Wat ook nodig was, was volledige bescherming tegen vliegen in dit gebergte. Ik bereikte Altaj, van afstand een groot dorp met enkele hoge gebouwen, maar van dichtbij, tussen die gebouwen, een alleraardigste echte stad. Ik vond er een heuse supermarkt. Ik zette twee tweeliterflessen frisdrank in mijn winkelwagen. Een man wees op zichzelf en haalde de flessen er weer uit. Ging hij ze betalen? Even later toonde hij een vijfliterfles water en ik schudde mijn hoofd. Zelf verzamelde ik vooral voedsel, waaronder eindelijk weer eens betaalbare tonijn in olijfolie, voor het eerst sinds Turkije, meen ik. Buiten stonden nu twee mannen bij mijn fiets en ik kreeg de frisdrank en het water overhandigd. Ik had willen afzien van het water, maar nam het toch maar mee. Met veel improvisatie kreeg ik alles op de fiets. Ik lunchte op een groot plein – gefermenteerde, licht zoete yoghurt en een restant rode kool – en ging vervolgens weer de grote leegte in.
In de avond vond ik een kuil in het landschap. Ik moest door een droge greppel om het land in te lopen en daarbij donderde de vijfliterfles van de fiets. Hij was kapot en liep vlot halfleeg. Het was niet het enige dat gevallen was. Ik wilde alles weer op de fiets binden, maar dat ging niet meer. Er was iets mis met de drager, die was losgeschoten. Ik sleepte alles weer naar de weg, zette de fiets tegen een paal en schroefde de drager weer vast. Ik liep opnieuw het land in en er volgde een herhaling. Het werd donker; ik sleepte nu alles de kuil in en zette de tent op – die drager was een zorg voor later. Ik had dat water natuurlijk gewoon moeten weigeren. Het had veel erger kunnen uitpakken: mijn frame had immers weer kunnen breken.
In de ochtend was de klus was snel geklaard. Ik verdeelde het geredde water, een derde, over mijn vaste waterfles en mijn maag. Ik reed een paar uur en zag enkele eetgelegenheden, maar zonder extreem weer voelde ik geen behoefte om binnen te eten. Ik was gehecht geraakt aan mijn lunch in de buitenlucht. En daarom at ik weer langs de weg, op een betonnen blok boven een duiker, mijn favoriete stek. Van een echtpaar kreeg ik een kleine meloen. Die bewaarde ik voor later. In de middag ontmoette ik een Japanse fietser die van Peking naar Italië fietste. Hij wilde daar, rijdend langs de Middellandse Zee, in februari aankomen.
In Buutsagaan viel me het contrast op tussen de nette overheidsgebouwen en de overige panden, die in slechte staat verkeerden of erg basic waren. Er was feitelijk niet eens een geasfalteerde afslag naar het dorp; je moest over een tussen tankstations weggemoffeld pad op de rondweg zien te komen, de enige geasfalteerde weg. Ik vond een goed uitgeruste winkel en kocht cola en melk. Ik begon ondertussen zo langzaamaan te verlangen naar een hotel met wifi. Sinds de laatste ochtend in Astana, 43 dagen geleden, had ik geen toegang meer gehad tot sociale media. Ik richtte wat dat betreft mijn pijlen op de eerstvolgende stad, Bayankhongor.
Ik had voor de zoveelste dag op rij zonnig weer met wind in de rug. Ik lunchte op grote stenen in het land. In de middag rolde ik voort en daalde diep; ik had zicht op een prachtig gebergte waarin ik, na het oversteken van een rivier, honderden hoogtemeters mocht gaan klimmen. Dat klimmen werd uitgespreid over dertig kilometer. Op de klim werd duidelijk dat de vervanging van mijn tandwielcassette en ketting niet later moet gebeuren dan in Ulaanbaatar. Ik liet het dorp Bömbögör liggen en klom nog even voort tot ik weer mocht rollen. Na een fotosessie met licht aangeschoten mannen ging ik het land in. Er waren geen kuilen vandaag; ik moest me verstoppen achter heuvels.
Ik beleefde een windstille dag, waardoor ik wat vaartwind had om de vliegen weg te houden. Toen ik wilde lunchen had ik wel een probleem: ze vlogen in kleine wolken om me heen zodra ik tot stilstand kwam. Ik moest een duiker in kruipen om redelijk van ze verlost te zijn. In de middag volgden er klimmen, en bij die lage snelheid hield ik die krengen niet meer van me af. Ik pakte mijn longsleeve erbij. Tegen drieën was ik in Bayankhongor. Ik had er zoals gezegd willen overnachten, maar nu het erop aankwam fietste ik liever door. Ik deed inkopen en at in een verwaarloosd parkje de meloen op die ik eerder kreeg. Er was hier tevens een ‘dinosauruspark’, maar ook dat was verwaarloosd en bovendien afgesloten, al was er wel een onderhoudsploeg aanwezig. Ik zag een plein en er waren karaokehotels, maar al met al was het hier rommelig. Ook hier in de stad waren volop vliegen en ik vertrok gehaast om toch wat wind te vinden, ergens. De weg liep rond een gebergte en daarna was er het dorp Öziit. Pas toen dat achter me lag was ik terug in de leegte. Mijn linkerpedaal had kuren en maakte vreemde geluiden. Dit fietsonderdeel uit het Kazachse Turkestan was op en ik verving het voor een pedaal uit Astana. Het werd een zwaar slot van de dag: taaie klimmen, een doorschietende ketting en vliegen. Een kampeerstek vinden was eenvoudig vandaag. Ik stopte vóór een afdaling en sloeg af, het gebergte in.
Ik was vroeg wakker en ging een voornemen uitvoeren: mijn cassette vervangen en er een nieuwe ketting om leggen. De nieuwe cassette, die ik net als de nieuwe pedalen en kettingen had aangeschaft in Astana, was snel geplaatst. Op mijn fietshoes legde ik de oude en een nieuwe ketting naast elkaar. De oude was flink uitgerekt en ook twee schakels korter dan de nieuwe. Ik wilde aan de slag met de kettingpons van mijn Topeak-multitool, voor een ketting op maat, maar er moest iets in die tool gestoken worden, vermoedelijk een inbussleutel. Die zat er ook op, maar kon er net als de kettingpons niet afgenomen worden. Wat handig! Ik peinsde. Waar zat het slimmigheidje? Want je levert toch geen tool met een kapitale denkfout? Ik kwam er niet uit. De ketting kon weer opgeborgen worden; ik legde de oude ketting op de nieuwe cassette. Mijn handen waren nu vet en pikzwart. Ik had van een leeg pak Mongoolse drinkyoghurt een bak gemaakt om mijn handen te wassen. Met een schuursponsje erbij lukte dat redelijk. Ik vertrok, maar al vlot werd me duidelijk dat dit niet ging werken; ik hoorde te veel geratel. Aan de kant van de weg leegde ik mijn tas met - onder andere - gereedschappen en plaatste alsnog weer de oude cassette. Ik hoorde plots een vreemd gesis. Toen zag ik dat het blik Japans bier dat op de grond lag een gaatje had en bier aan het spuiten was. Hoe kwam daar in godsnaam plots een gaatje in? Goed dat het niet in de tas gebeurde. Na de ton water werd ik nu dus ook door het lot geholpen om van het bier af te komen. Een man compenseerde het verlies met een fles Minute Maid sinaasappelsap, wat me prima uitkwam. Het was inmiddels elf uur en ik vertrok nu echt. Ik kon direct 200 meter klimmen, maar ik had voldoende motivatie nu ik eindelijk weg kon.
Ik passeerde Narinteel en veel later ook Khairkhandulaan en leerde toen dat de wind incidenteel ook uit het oosten kan komen. Het werd ook bewolkt en allengs kouder. Ik had gaandeweg al een jas aangetrokken en later kwam daar een sweater bij, die de hele dag niet meer uit ging. Ik moest ongewoon veel klimmen. Later kwam daar ook nog slecht wegdek bij waardoor ik geregeld de voorkeur gaf aan het gravel in de berm. Ik ging handschoenen dragen want het was niet eens 10°C meer. Een man schonk me enkele keiharde stukken kaas en liet me via de autospeakers zijn favoriete zanger horen: Liam Gallagher. Ik kwam deze dag gemiddeld niet aan de 10 km/u en bereikte de stad Arvaikheer veel later dan gepland. Ik moest me hier gaan haasten om me te kunnen bevoorraden. Ik scharrelde van alles bijeen in kleine supermarkten, maar had dat kunnen laten want ter hoogte van het centrum waren er grote supermarkten langs de weg, en in een ervan vulde ik alsnog de voorraad ruim aan. Ik schrok toen ik bij de kassa naar buiten keek; het schemerde al. Met licht aan haastte ik me Arvaikheer uit en na de laatste gebouwen liep ik op goed geluk het land in. Anderhalve kilometer liep ik door, zoekend naar iets om in of achter te verdwijnen. Ik vond gesteente en was daarachter goeddeels onzichtbaar vanaf de hoofdweg, maar ik zag wel lichtjes in alle richtingen. Ik moest het ermee doen. Met de schamele 84 kilometer van deze dag had ik nog vier volle dagen te gaan naar Ulaanbaatar.
Met verbazing keek ik in het ochtendgloren naar mijn plek: ik stond op een natuurlijk plateau en keek uit over de wijde omgeving. Na een gebeurtenisloze dag stond ik in de avond wederom op een bijzondere plek, in een landschap dat Mexicaans aandeed; alleen de cactussen ontbraken.
Vertrekken kon ik voorlopig vergeten. Het regende. Ik luisterde muziek en ging daarna eten. Mongoolse koeken zijn een waardig ontbijt, beter dan het droge brood dat ik hier meermaals at. Hoe lang zou ik in mijn tent opgesloten blijven? Ik had in ieder geval voldoende rantsoen. Gelukkig kon ik om elf uur vertrekken. Het was stervenskoud. Mijn mooie stek had alle magie verloren in deze troosteloosheid. Eenmaal op de weg was het 4,7°C maar er was hoop in de verte: een stukje blauwe lucht. Gaandeweg werd het beeld gunstiger: meer blauw voor me en de grauwheid bleef steken in het gebergte achter me. Er was tot dusver een zuidelijke en een noordelijke route naar Ulaanbaatar en vrij snel na mijn lunch verenigden beide zich. De weg werd er niet beter op, wel drukker. Er waren kortstondig zandduinen om me heen, her en der begroeid met gras. Daarna was er… landbouw: grote lappen bebouwde of omgeploegde grond, afgezet met draad. Het was vreemd om dit plots te zien. Ik hield halt in Rashaant voor een paar boodschappen en vertrok weer. Rashaant was een dorp als Buutsagaan: beperkt asfalt, zandpaden, kleine winkels. Het fietsen werd vervelender in de toenemende drukte. Veel Mongolen rijden heel beschaafd op de vrij smalle, vaak slechte weg met scheuren en afgebrokkelde zijden, maar een enkeling houdt stug 100 km/u aan, ongeacht omstandigheden.
Al was de start vanuit China fris, toch wende ik er destijds gaandeweg aan dat iedere dag zonnig was, en vaak onbewolkt. Plots was dat voorbij en had ik zware bewolking, regen en kou gehad. Maar nu braken de goede tijden weer aan. De Verrekte Vuurbal van weleer was getransformeerd tot Verrukkelijke Vuurbal en ik zag ‘m graag verschijnen.
Na zeven maanden was mijn muziekcollectie toe aan een verversing en dat was wat mijn gedachten tijdens het fietsen bezighield. Ik luisterde en beoordeelde muziek. Verder gebeurde er niet veel meer. De pracht van het Altaj-gebergte lag ver achter me, al was Mongolië nog steeds mooi. Maar ik was toe aan een onderbreking. Ik was het zicht op het wereldnieuws volledig kwijt; ik had alleen zicht op landbouw, yurts en veel vee. Het was tijd om weer eens over de rand van mijn eenvoudige bestaan te kijken. De vrijheid van het vee had overigens een keerzijde: er lagen heel wat dode paarden en koeien in de greppel naast de weg. Schapen en geiten werden begeleid, daar gebeurden minder ongelukken mee.
Mijn voorrem was op. Het was al bijna tijd om de dag te beëindigen. Ik zag ook dat er een lange afdaling volgde naar vlak, bewoond gebied, dus liep ik de heuvels in. Het stak me dat ik op een dag zonder veel oponthoud en met veel zon met moeite 100 kilometer op de teller kreeg. Logisch was het wel. De dag hield steeds eerder op maar ik compenseerde dat niet met een vroegere start, vooral vanwege de kou.
Ik versleet dit jaar vier sets remblokken in de eerste natte, bergachtige maanden. Daarna hield het op. Mijn voorrem was een half jaar geleden voor het laatst vervangen, de achterrem vijf maanden geleden, vlak voor mijn stop in het Turkse Diyarbakır. Ik had nu een ander soort remblokken en het vervangen viel me tegen. Mijn remschijf was breder dan de ruimte tussen de remblokken. Ik was genoodzaakt een oud blok te handhaven om voldoende ruimte te hebben. Ik las een afschrikwekkende melding op de verpakking: ‘Bevat geen asbest’. Ik las dat als: ‘Normaal gesproken zit er asbest in remblokken’. De operatie kostte me uiteindelijk een uur.
Op deze laatste volle fietsdag ging het fietsen niet zo voorspoedig meer, tot ik tijdens een klim besloot in de berm te gaan rijden. Zo hoefde ik me geen zorgen meer te maken over het drukke verkeer en het slechte wegdek en kon ik me volledig richten op muziek. Aan het eind van de dag was er meer bedrijvigheid langs de weg dan me lief was. Toen ik aan de rechterkant steeds weer nieuwe gebouwen zag opdoemen besloot ik, nu er links nog heuvels waren, om daar het landschap in te lopen. Ik had nog wel vijftig kilometer te fietsen, meer dan ik had gehoopt voor mijn laatste ochtend. Ik liep lang om helemaal uit het zicht te raken en stopte bij een grote cirkel van stenen en zette langs de rand de tent op. Het was een mooie, onbewolkte dag geweest, maar nu werd het snel koud.
Op dag 17 sinds mijn vertrek uit Takeshiken was er na 34 kilometer het plaatsnaambord van Ulaanbaatar. Korte tijd later was fietsen in de laagste drie versnellingen echt niet meer te doen op te steile hellingen en ging ik lopen. Later hoefde er niet meer geklommen te worden. Ulaanbaatar bestond eerst vooral uit industrie en autogerelateerde ondernemingen. Het verkeer werd druk, maar geregeld kon ik terecht op fietsstroken of stoepen. In het centrum begon ik aan mijn kamerjacht. Ulaanbaatar zit tjokvol accommodaties maar er zijn slechts vier categorieën: in verval, sjiek en duur, karaokehotel en guesthouse/hostel. Na een lange zoektocht ging ik akkoord met een afgeprijsde kamer in een hostel. Een half uur later was er koffie, en eindelijk weer contact met de buitenwereld, anders dan mail, sms en voetbalnieuws, dat in China niet verboden was.
Mijn nette kamer was minder lang beschikbaar dan ik hoopte. Ik vond online een ander onderkomen en boekte voor drie dagen. Ondanks de zeer positieve beoordelingen zit ik nu in een kamer met ernstige vochtproblemen, maar de schimmelgeur wordt overheerst door de houtrookgeur die van buiten komt. Kennelijk is er toch voldoende ventilatie. Bimnenkort ga ik Ulaanbaatar eens nader bezichtigen. Het is een stad die leeft, en die me wel wat aan Rotterdam doet denken. Op een korte wandeling naar de supermarkt trof ik al een Ierse pub, een disco, een sportbar, een stripclub en meerdere karaokebars aan. Ik hoop dat er ook nog ergens een degelijke fietsenmaker is, zodat zowel ik als mijn fiets straks weer klaar zijn voor de volgende etappe: zuidwaarts terug naar China en dan westwaarts langs de Gobi-woestijn naar Xining, waar ik in 2013 mijn tocht door China begon. Dat lijkt me nou eens een leuk ritje.
________________________
Mijn boek ‘Vinnig meppen met een bos tulpen’, over de eerste twee jaar van mijn fietsleven, is bij de boekhandels verkrijgbaar, of tegen gereduceerd tarief bij:
-
21 November 2025 - 16:11
Ron:
weer een mooi verhaal!
-
05 Januari 2026 - 01:46
Jilles:
Prachtig weer Richard, ploeteren door mooie landschappen, wolken vliegjes en een vallende fles water van 5 liter. Je fiets slijt ervan,
Reageer op dit reisverslag
Je kunt nu ook Smileys gebruiken. Via de toolbar, toetsenbord of door eerst : te typen en dan een woord bijvoorbeeld :smiley