Het unieke actievoordeel van Nederlands weer
Door: Richard van Dijke
Blijf op de hoogte en volg Richard
19 Augustus 2025 | China, Kuytun
Door de jaren heen had ik op het Euraziatische continent al fietsend een denkbeeldige lijn getrokken van Nederland naar Singapore. Er ontbraken nog twee stukken in die lijn en die gaten wilde ik dit jaar dichtrijden. Na een lange aanloop kon ik nu bijna het grootste gat, tussen Sary-Tash in Kirgizië en Xining in China, gaan vullen. In Osh boog ik me over de details van dat traject, dat ik al jarenlang van plan was te rijden. De domper volgde snel. De Chinese douane bevond zich op 138 kilometer van de grens. Het was niet toegestaan dat stuk te fietsen. Ik moest een bus nemen. Daarmee viel het traject vanaf Sary-Tash in één keer af. Ik wilde iedere meter op eigen kracht afgelegd hebben. Ik zou nu over de Torugart-pas China in moeten. Dat betekende een lange omweg door de bergen, over slechtere wegen, en een deel van dat traject had ik al in tegengestelde richting gereden, vorige week van Jalal-Abad naar Osh (100 km) en in 2016 van Kazarman naar Jalal-Abad (150 km). Maar het was de enige optie die ik hier in Osh nog had.
Ik had nog steeds te kampen met een ontregeld ingewand als gevolg van antibiotica, en ik bracht mijn voornemen om dit recht te zetten met behulp van wodkabiotica in de praktijk. Maar het hielp niet. Ook mijn fiets had diverse ontregelde ingewanden en ik ging op zoek naar de fietsenzaak die het best aangeschreven stond, al was de spoeling dun. Het zat niet mee. De wijk waar de fietsenzaak zich had moeten bevinden werd afgebroken en van de fietsenzaak was geen spoor meer. Verder waren er alleen nog fietswinkels waar een wereldfietser weinig méér van zijn gading vindt dan een set plakkers. Ik sloot mijn verblijf in Osh af met mijn inmiddels traditionele sightseeing. Deze stad bood me een alleraardigst groot park met kermisattracties, en een grote markt. En toen, na zeven nachten, begon ik aan mijn onzekere tocht naar China. Was ik er nu wél klaar voor om weer zware bergtrajecten te rijden en hitte te weerstaan? Ik wist het niet. Ik ging het gewoon proberen.
Ik lunchte bij een winkel, op de stoep. Ik had weinig honger en hield het simpel met een stuk kaas en een cola. Mijn omgeving had daar andere gedachten over. Een jongetje kwam een belegd broodje brengen. Het meisje van de winkel bracht koffie. Een jongen bood een stoel en tafel aan op een nabijgelegen terras, maar ik zat goed. Later reed ik verder in de richting van Jalal-Abad en nam opnieuw het alternatief voor de tolweg: een lange landschappelijke weg die door enkele dorpen voerde. Voor het eerst sinds Turkije kreeg ik te maken met vervelende jongetjes. Eerst probeerden ze de weg te blokkeren, maar dan komt de Leopard-tank in mij naar boven. Later kwamen ze me achterna op een gemotoriseerd vehikel, haalden me in en bleven voor me rijden, ‘money’ roepend. Toen er een drempel was haalde ik hen weer in en sneed ze daarna steeds de pas af, tot een volwassene ze tot de orde riep. Verderop fietsten kinderen mee en reden voor mijn wielen, of renden mee en trokken aan mijn bagage-elastiek. Wat zat er hier in het drinkwater?
Ik reed door Jalal-Abad, dat overhoop lag door werkzaamheden, en daarna langs een eindeloze rij woningen en bedrijven langs de weg. Negen jaar geleden kwam ik van de andere kant en sliep pal vóór mijn meerdaagse stop in Jalal-Abad hier in de natuur. Waar was die natuur? Ik sloeg een weg in en vond tussen de landbouwgronden een hoekje met bebossing. In de verte hoorde ik kinderstemmen, honden, machinaal geluid en later een disco. In de tent opende ik een pot met een oranjerode groentemix. Het was sambal. Ik sloot de pot en at gedroogde pruimen.
Hoe anders was het beeld in de ochtend na die lawaaiige, zinderende avond. Het was zalig rustig, ik lag goed beschut tegen de zon en sliep lang. Toen ik weer fietste realiseerde ik me hoezeer ik het fietsen in de bewoonde delen van Kirgizië waardeerde: volop vriendelijke mensen en zó veel supermarkten in allerlei formaten, zó veel koelkasten met koud vocht. En restaurants. Ik nam een degelijke maaltijd in een van de betere restaurants (€4,16 incl. een pot thee). De taak die me daarna wachtte had lichter kunnen zijn als ik de nieuwe, geasfalteerde weg naar Kazarman had kunnen nemen, maar de tunnel was nog niet klaar (planning: 2019). In het voorlopig laatste dorp Joon Kunggöy deed ik een aanval op de eveneens voorlopig laatste koelkast en toen moest ik eraan geloven. Er moest gewerkt worden. Het viel me niet tegen, zelfs nu het asfalt verdwenen was en ik iedere minuut een stofdouche kreeg van passerend verkeer. Op een klim vond ik nabij een verzameling bijenkasten wat ruimte voor de tent. Het was een mooie stek in het groen, tussen steile bergwanden, en het was al vroeg koel. Maar mijn weg leidde naar het oosten en dus vond de zon me snel weer, tussen die steile bergwanden door. In het vroege daglicht gruwde ik van mijn vooruitzicht. Ik moest 1300 meter omhoog over gravel. Ik reed vijf kilometer en had het geen moment naar mijn zin. Het was alleen maar zwaar. Als dit de enige klim was, was het leed nog te overzien, maar na Kazarman zou er een nieuwe zware klim volgen naar Naryn, en na Naryn zou er een nieuwe zware klim volgen, in twee delen, naar de Torogurt-pas, waar de grens met China lag. En was het echt zeker dat ik fietsend China in kon? Wat was ik eigenlijk aan het doen? Ik ging in een wei op een grote steen zitten. Ik wilde geen overhaast besluit nemen, want omkeren had grote consequenties. Een uur lang dacht ik na. Ik had al het plezier in klimmen verloren, klimmen was op zijn best draaglijk, zoals gistermiddag. En ik twijfelde of ik überhaupt de kracht zou hebben om deze top te halen. Ik wilde dit niet meer. Ik keerde om. Terug bij de koelkast in Joon Kunggöy ontmoette ik Bruno, een Belgische fietser die momenteel meer ambitie tentoonspreidde dan ik. Hij was in de ochtend vanuit Osh vertrokken en ging de volgende dag de volledige klim doen. Ik reed terug naar Jalal-Abad en verder. Het is dat fietsen gratis is anders had ik een abonnement genomen voor dit traject. ’s Avonds lag ik in de heuvels langs de weg naar Osh. Het was vies heet in de tent en rond enen lukte het me in slaap te vallen.
Ik werd wakker en had nu een airco in het vooruitzicht. Dat beviel me stukken beter. Ik nam weer het alternatief voor de tolweg en ontmoette nu vriendelijk volk in plaats van vervelende ventjes. Ik at weer spagetti bolognese in het Italiaanse restaurant met wifi en boekte een kamer voor voorlopig twee nachten op mijn vertrouwde adres in Osh. Op de weg daarnaartoe nam ik eens een dubbele Gorilla, de populairste energydrink in Kirgizië én Kazachstan. En verdomd, deze dosis had bijna het effect dat cola ooit op me had. Ik verzonk een tijd lang in gedachten terwijl ik door de heuvels klom. Ik had iets gevonden dat me weer afleidde van het zware werk.
Op mijn vertrouwde adres had ik nu een driepersoonskamer. Na een douche, een maaltijd en koffie boog ik me over mijn situatie. Er waren hier geen zinnige opties meer. Ik zat hier klem en ik moest Kirgizië per vliegtuig verlaten. Maar waarheen ging de vlucht? Ik testte of enkele wilde fantasieën haalbaar waren, maar in die landen was het evengoed heet, óf augustus was net de maand met de meeste regenval óf ik moest minstens vier keer overstappen. Beter kon ik mijn tocht gewoon voortzetten, maar dan noordelijker, in een koeler, vlakker gebied. De meest logische bestemming was Kazachstans hoofdstad Astana: goed en goedkoop bereikbaar, overdag 26°C en ‘s nachts 16°C. Ook vanuit Astana kon ik naar Mongolië rijden, en verder naar Xining. Ik had in 2016 van Astana naar o.a. Jalal-Abad gefietst, dus die lijn stond al op de kaart. Sterker nog: Astana vormde nu een vreemd open einde op mijn fietslijnenkaart omdat ik er destijds naartoe vloog vanuit Roemenië. Nu kon ik dat losse eindje gaan verbinden met dat andere losse eindje in China. Ik was er snel uit. Ik had het grote geluk dat Osh, net als Atyrau enkele maanden geleden, een nieuwe bestemming was van Air Astana. Er ging een vlucht op zondag, over een week. Ik had nog even de tijd.
Na een vroege lunch werd er geklopt. Het was het tienermeisje dat bij de staf hoorde en een beetje Engels sprak. Ze bracht een warrig verhaal, maar het kwam erop neer dat ze meende dat ik voor een bed betaald had, niet voor een kamer. Het zou plots erg druk worden en ik zou mijn kamer moeten delen. Wat was dát nou? Wat kregen we nu ineens na in totaal acht nachten? Ik kon bewijzen dat ik voor een kamer betaald had, maar de reserveringsbevestiging was in het Nederlands. Er kwam een vrouw bij. Ik kon kiezen; kamer delen of geld terug en vertrekken. Met het volk dat ik hier incidenteel zag, meestal groepen nurkse mannen, zou ik geen kamer willen delen. Een betaalbaar alternatief was er ook zo gauw niet voorhanden in Osh. Het aardige was dat ik vlak nadat ik de eerste keer hier een kamer geboekt had een Spaanse fietser had ontmoet die me een fietsershostel in Osh had aanbevolen. Ik zei toen dat ik al voorzien was, maar dat ik de naam zou onthouden. Later was het licht gaan knagen dat ik alleen in een kamer zat en niet in dat fietsershostel. Dit was alsnog mijn kans. Met soortgenoten wilde ik mijn kamer wel delen. En dus ging ik alsnog naar het Park Hostel. Ik kreeg een bed in een zespersoonskamer (drie stapelbedden). Tot mijn vreugde had ik een gordijn voor mijn (beneden)bed, dat gaf dan toch wat privacy. De kamers lagen rond een binnenplaats, waar veel motoren en fietsen rond de zithoeken stonden. Er was een biljarttafel en een keuken met een wasmachine. Ik dumpte mijn spullen, deels in een locker, deels onder en naast het bed en sprak met enkele fietsers. In de avond bekeek ik de grensovergangen tussen Kazachstan en China. Er waren er vier die ik kon gebruiken, maar men kon me verplichten een bus te nemen. Zoals bekend was dat voor mij onacceptabel. Het was onmogelijk om op het internet duidelijke informatie hierover te vinden. Ik kon het beste de noordelijkste grensovergang mijden, want die lag te ver van de overige grensposten, waar ik op aangewezen zou zijn als ik niet fietsend de grens over mocht. Toen ik dat eenmaal bepaald had deed ik voor de aardigheid onderzoek naar de laatste keer dat ik een kamer deelde. Ik kon me niets herinneren van gedeelde kamers in Afrika (2019) of Europa (2020) dus moest het Zuid-Amerika zijn, en wel Argentinië of Chili. Het bleek een eendaagse blogstop te zijn geweest in San Pedro de Atacama, Chili, op 7 februari 2018. Dik zeven jaar had ik niet meer op een slaapzaal gelegen.
Ik kocht een ticket. Ik had een vlucht naar Alma-Ata van 18.35 – 19.00 (uur tijdverschil) en een van 23.10 – 0.50 naar Astana. Omdat ik weer met Air Astana vloog waren alle voorwaarden bekend en hoefde ik opnieuw geen doos te regelen. Vanwege mijn nachtelijke aankomst boekte ik geen kamer, maar zou die wel nodig hebben om me officieel te laten registreren.
Altijd dacht ik dat hostels waar veel soortgenoten waren garant stonden voor veel interactie. Inmiddels wist ik dat niets gegarandeerd was. Ik had wat Italianen gezien die zich groepeerden, en erg jonge reizigers zochten elkaar ook op, maar er leek niets groters te ontstaan dan dat. Er was weinig levendigheid in de avond. Een plek als deze heeft een grote eettafel nodig of een barretje. En mensen die in het middelpunt staan en anderen verbinden. Deze plek was net een duiventil, vol eenlingen en duo’s. Tegelijkertijd ervaarde ik dat de kloof tussen mij en Kirgizië vergroot werd nu ik in een westers bastion zat. Ik had niet veel interesse meer in de (warme) buitenwereld. Het hoofdstuk Osh had ik al afgesloten, een week geleden. Met mijn lijf zat ik bij de airco, met mijn hoofd zat ik opnieuw in Kazachstan. Ik bracht mijn tijd vooral lezend door. Als ik erin slaagde het lijvige werk ‘The State of Africa: A History of the Continent Since Independence’ van Martin Meredith uit te lezen, dan kon ik het achterlaten en met een kilogram bagagewicht minder gaan vliegen. Ik kan het boek van harte aanbevelen aan liefhebbers van horror (enkele trefwoorden: Rwanda, Somalië, Idi Amin, Charles Taylor, Mobutu, Mengistu, Mugabe, Bokassa). Uiteindelijk vond ik een mooie plek voor het boek op het dressoir bij de biljarttafel, tussen enkele kunstwerken.
Het voelde goed om het vliegdraaiboek al eens doorlopen te hebben, maar ik vond het desondanks een vermoeiende gedachte om pakweg twee dagen in de weer te zijn – ik wilde in Astana alsnog de fietsonderhoudsbeurt laten plaatsvinden – voor ik weer op weg kon. Op de luchthaven werd ik verrast met een scanner bij de ingang. De fiets moest er doorheen en dat lukte pas na enkele aanpassingen. Ik had het vaker meegemaakt. Zou de fiets daadwerkelijk geïnspecteerd worden bij een scan of is het zuiver een kwestie van drammen? Ik heb het idee dat het het laatste is. Duwen, proppen, en als-ie erdoor is is de regel opgevolgd. En daar gaat het om. Met huishoudfolie maakte ik weer mooie kunstwerken van mijn fiets en bagage en in Astana pakte ik ze weer uit. Na een maaltijd van brood en worst ging ik buiten op zoek naar een slaapplaats. Het was net drie uur geweest en in het oosten zag ik al licht verschijnen. Er waren stukken bos in de omgeving van de luchthaven, maar het duurde even voor ik een stuk bos had gevonden waar ik een aantal uren ongestoord zou kunnen slapen. Om vijf uur lag ik, en ik sliep tot half negen.
Ik vond het nog te vroeg om een hotel te zoeken; ik kon beter eerst het fietsonderhoud afhandelen. Ik fietste vijftien kilometer naar het centrum. Ik had twee veelbelovende adressen en reed naar de eerste op een industriepark. Open van dinsdag t/m zondag, zo maakte ik op uit een bordje achter het glas. Als u aandachtig gelezen heeft weet u welke dag het vandaag was, en anders is het eenvoudig te raden. Ik reed enkele kilometers naar de tweede fietsenzaak, maar die leed aan hetzelfde euvel. Ik wilde per se naar een van deze twee zaken, dus moest ik een dag geduld hebben. Ik ging op zoek naar onderdak. Dat ging bepaald niet soepeler. Ik had zes adressen genoteerd, maar de eerste drie hostels moesten zich ergens in grote flatgebouwen bevinden zonder dat ik ergens een aanduiding kon vinden. Bij nummer vier en vijf kon de fiets alleen buiten op straat geparkeerd worden. Bij nummer zes kon ik, na heel veel communicatiestoornissen en tegenstrijdige informatie, terecht. Het betrof hier een zogenaamd capsulehotel; je stapelbed was hier een luxe, afgesloten capsule met vele elektronicasnufjes. Het interieur van dit hotel zag er met het vele neonlicht prachtig uit. Het was een interessante ervaring hier te verblijven, maar hoe langer ik hier was, hoe negatiever je dit op kon vatten. De beloofde airconditioning in de capsule was een miniem beetje ventilatie dat naar het plafond blies. Ik zag hoe de temperatuur in de capsule in snel tempo naar dat van mijn lichaam bewoog. Hierin slapen zou dodelijk zijn. In de doucheruimte was het smoorheet. Er was een ruimte met wasbakken, maar ik kreeg er geen water uit de kranen. De ruime keuken was de enige plek waar het uit te houden viel op deze warme dag, maar alleen nadat ik mijn shirt omwisselde voor mijn gele hesje. Er was een ‘schoenen uit’-beleid en dat is riskant als je hotelgasten hebt die een zeer actief, sportief leven leiden en altijd dezelfde schoenen dragen. Mijn schoenen waren biowapens en konden al in enkele minuten mijn sokken en voeten besmetten met hun vernietigende bouquet. Een en ander had consequenties voor de verstandhouding tussen mij en een Russische jongeman die wat Engels sprak. Ogenschijnlijk was het een heel vriendelijke jongen, maar in werkelijkheid een vreselijk type met een vervelende manier van redeneren. Hij begon met een nogal direct verzoek of ik me kon wassen. Ik vertelde hem over mijn welwillendheid, maar ook over de vele tekortkomingen van dit hotel waar ik op gestuit was. Hij vond dat ik niet te veel mocht verwachten van dit hotel omdat het met 9 euro het goedkoopste hotel van Astana was. Ik liet hem op booking.com accommodaties zien van 4 euro, 6 euro, etc. Het waren er negen. ‘Ja, maar wat is nou het verschil tussen 6 euro en 9 euro?’(Truc 1: mijn antwoord manipuleren in zijn voordeel door niet het laagste getal noemen dat ik noemde. Truc 2: zijn bewezen ongelijk wegwuiven.) Hij beweerde dat alleen op de vrouwenslaapzaal airconditioning was beloofd. Ik toonde hem de informatie over de mannenslaapzaal en wees op het woord ‘airconditioning’. ‘Ja, maar het ís er ook wel. Het ziet er alleen niet uit zoals jij verwacht. Het is een ouderwets systeem dat niet goed zichtbaar is. (…)’ (Truc 1: zijn bewezen ongelijk negeren. Truc 2: een niet te controleren lang lulverhaal ophangen.) The Incredible Bullshitting Man, zoals ik hem in gedachten doopte (naar een scène uit het televisieprogramma Alas, Smith [e-38] Jones), verdween weer, onverrichterzake. Ik had eerder met moeite een supermarkt gevonden en eten gekocht, maar ik had deze avond geen honger, alleen dorst. In de nacht sliep ik met mijn capsule wijd open.
De hitte in dit hotel eiste zijn tol: ik kreeg opnieuw last van buikloop. Gelukkig had ik nog pillen van mijn vorige verblijf in Kazachstan. Het was nu koeler en ik kon douchen. Daarna wachtte me een verrassing: mijn capsuledeur werd door iets in de capsule geblokkeerd en ging nog maar enkele decimeters open. De helft van mijn uitrusting bevond zich nog in de capsule. De vorige dag had ik bij de receptie te maken gehad met een ongeduldige, onnozele jongen en een humeurig dik mens, maar nu zat er een vriendelijk meisje dat Engels sprak. Gelukkig was ze tenger genoeg om door de nauwe doorgang in de capsule te kruipen om daar tegen het blokkerende capsuleonderdeel te duwen en de deur te openen. Ik kon dit hotel gaan verlaten. (P.S. Mijn officiële registratie - een verantwoordelijkheid van het hotel en de hoofdreden van mijn verblijf hier - is hoogstwaarschijnlijk nooit uitgevoerd. Voor de zekerheid had ik bij mijn entree alsnog gereserveerd via booking.com om een bewijs te hebben dat ik hier had overnacht, maar het hotel heeft achteraf booking.com laten weten dat ik niet op ben komen dagen.)
Ik bevoorraadde me voor een lange nieuwe tocht en bezocht opnieuw de fietsenzaak die ik gisteren als eerste aandeed. Ik had contact gehad met Bike4Travel, mijn vertrouwde fietsenzaak in Rotterdam, en zij hadden me geadviseerd om niet door te rijden met mijn niet goed bevestigde achterdrager.Als de schroefdraad in het frame niet meer bruikbaar was, wat het geval was, kon de drager na het boren van een gat ook gemonteerd worden op een aluminium plaat die zich aan de linkerkant bevond. De taak was echter te complex voor deze fietsenzaak en ik werd verwezen naar een andere fietsenzaak, Velo Master, die toevallig mijn tweede keus was. Tegen enen was ik er en om kwart voor zeven liep ik weer naar buiten. Ik had nog niet eens geluncht. Mijn drager was naar wens bevestigd, mijn trapas vervangen en ik had nu een grote verzameling reserveonderdelen voor de maandenlange tocht door Mongolië en China.
Astana is overigens een mooie, nette stad. Een van de mooie aspecten van het reizen is dat je soms op beschavingen stuit. Het had zullen regenen, maar het was de hele dag droog geweest en zo’n 22°C. Ik reed een bos in, niet ver van het vliegveld. Ik had in de tent mijn eetlust weer terug en at haring en bonen. Het was goed om weer onderweg te zijn. In de nacht werd ik verrast. Half slapend liet ik wat lichaamsgas passeren. Dit was echter een bijzonder gas: het betrof hier een vlóéibaar gas. Een straal ‘golden brown’ – van een ander soort dan waarover The Stranglers zingen – spoot naar buiten. Ik was meteen goed wakker en probeerde de schade te beperken, maar slaagde erin mijn onderbroek, slaapzak, slaapmat en linkerhand te bezoedelen. Gelukkig was dit de start van mijn tocht en kon ik over een week of drie alweer douchen. Ik kon me zo gauw geen grotere misère voorstellen. Toch kon het nog erger. Toen ik met papieren zakdoekjes en water de meeste schade had tenietgedaan, voelde ik dat de evacuatie nog niet voltooid was. Ik mocht naar buiten voor een nieuwe golf, en buiten… wachtte me het vochtige, zomerse muggenbos. Het was hier net Zweden. Ik vroeg aan het opperwezen: ‘Yo, kan de ellendegraad een tandje omlaag?’ Maar er zou de volgende ochtend nog meer volgen.
Ik ging de weg op maar merkte dat mijn banden wel wat lucht konden gebruiken. Ik pompte de achterband op. Ik liep naar mijn voorband en toen donderde de fiets om. Dat verbaasde me, maar niet meer toen ik de oorzaak zag. Ik wist al maanden dat mijn Pletscher Esge-standaard ieder moment kon breken. Er zat speling in, speling die ik niet kon verhelpen, waardoor de fiets nooit stabiel stond. Altijd moest ik ‘m voorzichtig neerzetten, soms met een steen onder de standaard, terwijl deze standaard in het verleden oersterk was. Ik deed er normaal gesproken anderhalf jaar mee. En nu? Nog geen zes maanden. Ik mocht nu maandenlang zonder standaard reizen, want degelijke standaarden vind je onderweg niet. Die vind je, zo blijkt nu, zelfs niet meer in Nederland.
Waar ging ik naartoe? Ik ging op weg naar grenspost Bakhty. Daarvoor moest ik een grote omweg maken via Pavlodar in het noordoosten. De wegen lagen nu eenmaal niet anders. Een bijkomend probleem is dat menige weg in Kazachstan in de afgelopen jaren tot snelweg is gepromoveerd. Het is daar nu verboden te fietsen. Ik moest nu ook met een omweg naar Pavlodar, via Karagandy in het zuidoosten. Om het nog leuker te maken was ook de hoofdweg naar Karagandy, waarop ik in 2016 al eens reed, een snelweg geworden, dus moest ik via een omweg naar Karagandy. Hemelsbreed bedroeg de afstand naar Bakhty 1100 kilometer, met de auto ruim 1400 kilometer en met de fiets ruim 1800 kilometer. Een leuk klusje. De hitte van mijn stedelijke hotel lag ver achter me; het was ideaal fietsweer en het incidentele buitje deerde me niet. Om me heen zag ik landbouw en steppes. Een stier trachtte een stier te dekken, maar nadat ik met mijn ogen geknipperd had was het evenement voorbij. Ik vond het al bijzonder om één stier te zien. In Nederland overkwam me dat nooit; daar komen stieren bijna alleen voor als kalfsvlees. Aan het eind van de dag kampeerde ik op een mooie stek onder bomen vol lawaaiige kraaien. Ze werden stil toen het donker werd.
Rond lunchtijd ging ik een nederzetting in om energydrinks te scoren. Ik mocht lang zoeken, maar vond ze wel. Ik kon ze goed gebruiken want de weg ging op en neer en bij elkaar klom ik honderden meters, en later kwam ik op gravel te rijden. Naast deze geleende energie was er een geleidelijke terugkeer van kracht, conditie en spirit bij deze ‘Nederlandse’ temperaturen. Na een nacht in een tussen akkers gelegen klein bos fietste ik naar de stad Temirtau, vulde mijn voorraad voedsel aan en lunchte in een park. Ik ging een gok wagen: ik ging niet verder naar Karagandy, maar in plaats daarvan binnendoor naar mijn vervolgroute. Op mijn kaart was een stroom te zien met daarover een brug. Die brug moest er echt zijn, en bruikbaar zijn, anders wachtte me een forse omweg. Ik reed door een industriegebied, een soort Maasvlakte, en door een lange leegte. Uiteindelijk kwam ik uit bij twee bruggen: een nieuwe, die nog niet af was, en een oude voetgangersbrug die nog solide genoeg was om met de fiets overheen te gaan. Dat was een opluchting. Na Botakara nam ik de afslag in de richting van Pavlodar. Zojuist was het nog te druk, nu was ik alleen. De avondzon scheen over het gele land en de heuvels op de achtergrond. Ik reed met muziek op. Het was geweldig. Ik zat goed in mijn vel. Ik raakte echt in vorm, mijn ingewanden leken zich normaler te gaan gedragen en het plezier en de motivatie waren volop terug. Het was een goede keus geweest om mijn tocht noordelijker voort te zetten. Om half acht zette ik mijn tent op in de steppe.
In de nederzetting Kernei ging ik tegen twaalven op zoek naar een winkel voor mijn energyshot, maar bedacht me en stopte deze dag tijdig mijn missie. Ik had onlangs opnieuw geleerd hoe zoiets in zijn werk gaat. Eerst zou ik een mens moeten zien te vinden, wat nogal een opdracht was in dit soort spookdorpen, en daarna zou ik hem of haar moeten zien te bewegen mij naar de persoon te brengen die de sleutel had van de schuur, kelder of grot waar zich een plank met wat dranken en etenswaren bevond. Ik wilde geen uur opofferen aan twee blikken energydrink. Ik reed anderhalve kilometer terug naar de hoofdweg en lunchte langs de kant. Halverwege de middag werd ik verrast door de aanwezigheid van een restaurant met daarnaast twee yurts. Buiten stonden blikken energydrink uitgestald. Ik kon alsnog mijn shot krijgen. Eenmaal weer onderweg gaf een Aziatisch stel me een tasje groenten – wortel, tomaten en komkommertjes – en brood. ’s Avonds kampeerde ik in de steppe en moest een sweater aantrekken tegen de kou. ’s Nachts werd ik wakker door een vreemde chemische lucht, een soort zurige verflucht. Ik stond hier in het niets; waar kwam die lucht in godsnaam vandaan? Later zou ik die geur opnieuw ruiken; het zou de geur blijken te zijn die vrijkwam bij het verhitten van teer voor wegonderhoud. Ik stopte oordoppen in mijn neus en sliep verder.
Met nog geen 15°C op mijn fietscomputer deed ik toch maar eens een (regen)jas aan. Ik koerste af op de snelweg naar Pavlodar en nam nu een alternatieve route. Een man waarschuwde me: ik moest een andere weg nemen. Het was niet duidelijk waarom, en de enige andere weg was de snelweg, waarop ik niet mocht rijden. De dag liep op zijn einde en ik was ongeduldig. De man had veel te veel tijd nodig om zijn punt duidelijk te maken. Zo belde hij iemand op die ook maar drie woorden Engels kende: ‘Road is….. Other road!’ Ik verontschuldigde mezelf en reed acht kilometer door, tot vlak voor het dorp Kudaikol. In de avond keek ik op de kaart. Ik zag dat er een brug was op veertig kilometer. Als die brug ontbrak moest ik veertig plus acht kilometer terug en was ik een dag kwijt. Het risico was te groot. Ik had gezien dat de man een plattelandsweg ingeslagen was; waarschijnlijk was hij hier goed bekend. Hij verkocht vast geen lulkoek. Morgen ging ik omkeren.
Ik nam de snelweg. Aan niets was te merken dat dit géén snelweg was. Ik zag groene borden, het snelwegicoon, gladde wegen, snel verkeer en vangrails. Ik was volslagen illegaal bezig. Door het goede asfalt haalde ik een snelheid van 30 km/u en op deze manier was het traject in 16 minuten voorbij. Ik had geluk, er was geen politie. En zo kwam ik terecht op de lange, mooie, rustige weg naar Aksu. Ik had wilde natuur om me heen maar ook velden met zonnebloemen en koolzaad. Na 54 kilometer moest ik de brug passeren die mijn huidige weg met mijn weg van gisteren/vanochtend verbond. Ik ging eens kijken. De brug was er, maar tussen mij en de brug was een afgesloten hek. Ik had eroverheen kunnen klimmen, maar was er aan de andere kant ook een hek? Voorbij de brug was slechts een kort stuk van een paadje te zien. Ik kreeg het idee dat ik een juist besluit had genomen. Dank u, meneer van gisteren. Ook de man die me korte tijd later overlaadde met voedsel bedankte ik. Enthousiast belde hij zijn vrouw, die Engels sprak, en er volgde een korte videobelsessie. Meer voedsel kocht ik in Aksu, in een winkelcentrum. Buiten dat winkelcentrum hoorde ik weer die typische reclameteksten uit speakers die ik al vanaf Aral in steden hoorde, het lokale equivalent van “Ga nú, en krijg tijdelijk gratis korting voor maar 3,95! Kom langs en profiteer alleen deze week van uniek actievoordeel en speciale voordeelacties!’
Ik kon nu via een directe weg zuidwaarts naar Semey, maar vertrouwde de militaire zone en de ondergrondse nucleaire testbases niet die op deze route lagen. Kon ik daarlangs? Was er straling? Ik ging het er niet op wagen. Ik nam een indirecte route. Ik reed 19 kilometer noordwaarts, daarna eenzelfde afstand oostwaarts over meerdere rivieren heen, en toen zuidwaarts, waarmee de stad Pavlodar, die ik had geschampt, in één keer achter me lag. Ik reed door tot er 144 kilometers op de teller stonden. Sinds de laatste uitputting tijdens mijn vorige verblijf in Kazachstan reed ik niet meer zo’n grote afstand op één dag. Ik was blij dat ik nu eindelijk, na een week, alleen nog de hoofdwegen hoefde te nemen en geen omwegen meer. Ik had nog 927 kilometer asfalt te gaan naar China. De tent kwam in een bescheiden stuk bebossing te staan, aan de rand van een stukje savanne.
Mijn achterband, die tot Georgië mijn voorband was geweest, liep op zijn einde. Er was een bolling zichtbaar bij de velg en dus kon ik een uitscheuring verwachten. Ik kon nog wel de dag voltooien, met maar liefst 162 kilometer op de teller. Ik eindigde de dag in een fraai natuurgebied, met bos en savanne, veel grootser dan de vorige avond. Ik had in het laatste licht een mooi uitzicht over die savanne. Achter me was er de schemering boven het lage bos, met een volle maan. Het was fantastisch.
Ik legde een verse Kenda-buitenband om het wiel. Kenda is wat je koopt als er geen westers merk voorradig is, en dat was het geval geweest in Astana. Rond het middaguur at ik een groot bord pasta in een restaurant. Ik begon de indruk te krijgen dat ik gemeden werd; het was dan ook al negen dagen geleden dat ik gedoucht had. Dit ging mijn laatste restaurant zijn. Ik reed een mooi traject langs vele bossen en ontmoette vrijgevige mensen: ik kreeg drie donaties op rij. Twee enigszins vreemde jonge snuiters (ze spuugden veel en lieten me wachten tot een telefoontje afgehandeld was) gaven me vijfduizend tenge (dik acht euro), een man en zijn zoontjes gaven me een zak broodjes met aardappelvulling en een vrachtwagenchauffeur voorzag me van een energydrink.
Ik herinnerde me ineens dat ik ook papieren wegenkaarten bij me had, van China en Mongolië. In de tent bekeek ik ze. Wat heerlijk overzichtelijk! Zonder eindeloos in- en uitzoomen zag ik in één keer de routes, woestijnen en hoogtelijnen. De Chinese kaart was wel incompleet, want Chinezen bouwen sneller wegen dan kaartenmakers kunnen bijhouden.
In Semey kocht ik twee nieuwe reservebanden (wederom Kenda); mijn voorband had weinig profiel meer en ik wilde daarnaast nog een extra band hebben. Ik ruilde de bossen weer in voor de steppe. Ik werd zweteriger en dorstiger; ik leek een andere klimaatzone bereikt te hebben (ik gok op ‘steppeklimaat’). Van een groep dolle vrouwen van middelbare leeftijd kreeg ik een originele gift: een grote goudkleurige spaarpot. Ik weigerde beleefd, maar accepteerde wel een aangeboden bruine boterham met worst en een bekertje jus d’orange. De volgende dag kocht ik in een geïsoleerd gelegen restaurant mijn energydrinks, maar hield me aan mijn voornemen en at buiten uit blik, op een houten bank. Prompt gaven meerdere mensen me geld om binnen te kunnen eten. Onderweg kreeg ik opnieuw een bijzondere gift: zelfbereide paddenstoelen en gekookte dumplings. De man in kwestie waarschuwde me voor dodelijke spinnen: ‘Na een beet heb je een half uur om een medische post te bereiken. Lukt dat niet dan sterf je.’ Gelukkig had ik een klein beetje kennis op dit gebied en wist dat het hoogst zeldzaam is, om niet te zeggen goeddeels onmogelijk, dat een spin een gezonde, volwassen mens doodt. Ik reed 137 kilometer deze dag, en wat resteerde was exact 300 kilometer naar China. Het was een vreemd idee dat ik daar bijna was, ondanks dat ik er al weken had zullen zijn, via Kirgizië.
In een met hekken omheind park in Ayagöz, een alleraardigste stad, lunchte ik in een hoek aan een tafel. Twee jongens bevonden zich op enige afstand en één stak zijn middelvinger op in mijn richting. Dat was ongebruikelijk in dit land. Maar spoedig kwam de aap uit de mouw. Het had niets met mij te maken. Twee meisjes passeerden me en één beantwoordde het gebaar van zojuist met een identiek gebaar. Het was eenvoudigweg baltsgedrag. Omdat dit een vroege lunch was permitteerde ik mezelf halverwege de middag een derde Gorilla, maar lag wakker in de nacht. Misschien moest ik niet te licht denken over die energydrinks. Bij een teveel aan koffie kon ik in de ochtend meestal nog wat slaap inhalen, maar zelfs dat lukte me nu niet. Wat ook mee ging tellen was de toenemende warmte nu ik steeds zuidelijker kwam: eenmaal weer fietsend stond er 38,5°C op de teller. Een dag later bereikte ik de top van een bescheiden klim en het was ronduit surrealistisch om uitzicht te hebben over de vertrouwde steppe en daarachter… wolkenkrabbers. Daar lag China. Ik reed naar grensplaats Bakhty en stuitte daarna direct op een slagboom en militairen. Ik mocht niet op de fiets verder; ik moest een bus nemen. Ik had China nog niet eens bereikt of er dreigde al een gat in mijn route naar Xining te vallen. Men was onvermurwbaar. Ik raadpleegde mijn telefoon. Ik mocht 243 kilometer gaan fietsen naar Dostyk, de volgende grensplaats. Ik keerde om. Er zou zo goed als niets langs mijn nieuwe route liggen. Ik moest eerst terug naar Makanshi, geld en voedsel inslaan en daarna dik 200 kilometer over een weg van onbekende kwaliteit gaan fietsen. Voor deze dag zat er niet meer in dan een terugkeer naar mijn slaapplaats van vanochtend. Toen ik daar was wachtte me een nieuwe vrijwel slapeloze nacht, de tweede in drie etmalen, en dat terwijl ik me, vroeg op de dag, beperkt had tot twee energydrinks. Het was genoeg geweest. Ik ging afscheid nemen van dat dubieuze goedje.
Voor ik de afslag naar het zuiden ging nemen reed ik eerst tien kilometer rechtdoor naar Makanshi en terug. Met vollere tassen en portemonnee fietste ik vervolgens een mooie, lege, dorre wereld in. Ik eindigde de dag op een prachtige plek, onder twee reusachtige bomen. Mijn nieuwe grensovergang lag nu op 110 kilometer. Zou ik China in een dag – een vrijdag – kunnen bereiken? Was er een weekendsluiting? Moest ik alles op alles stellen om tijdig aan te komen? Het lot hielp een handje: ik was al om vier uur wakker. Ik ging een poging wagen. Ik had ook niet veel langer kunnen slapen, want er gebeurde iets vreemds. De vredige ochtend werd verstoord. Snel naderde er een woeste storm. Een haring schoot los. Gehaast zette ik alle haringen vast, dook de tent in om alsnog regenkleding aan te trekken en zette daarna ook de scheerlijnen vast. Eenmaal weer binnen was de storm voorbij. Tot stof vergane paardenpoep was in mijn tent gewaaid. Toen ik weer fietste zag ik paarden draven. Wat een vrijheid hadden dieren hier. Als ik in Nederland paarden en vooral pony’s zag in die treurige modderige weitjes, zag ik ze vaak staan met een blik naar de grond die hun gedachten verraadde: ‘Kill me’. Hier lééfden paarden, net als koeien en de sporadische kamelen, die ik ook weer tweemaal had gezien sinds mijn rentree in Kazachstan. Ik reeg de kilometers aaneen en kwam bij een spoorwegovergang bij een meer. Na de overgang was het gedaan met de goede weg. Ik mocht acht kilometer fietsen over een puintraject - langs het meer en naar de weg die me naar de grens zou leiden. De omgeving was prachtig: woestijnachtig, ondanks het meer. De grillige bergen om me heen maakten het beeld anders dan voorheen, toen er hooguit glooiende heuvels waren. De puinweg naar de T-splitsing leek vlak maar was een venijnige helling. Eenmaal boven vond ik niet voor het eerst een dooie mus: een wc-gebouw met veel beloofde voorzieningen (winkel, babyverschoningsruimte), maar desondanks volledig ontruimd. Ik lunchte aan een picknicktafel. De weg naar Dostyk kende ellenlange lichte stijgingen – een zwaar traject. Dostyk was een langgerekte plaats, of eigenlijk leek dat zo door de vele containers op en rond het spoor en door de industrie. Ik liet deze plaats liggen en ging een poging wagen om de grens over te komen, al was het al vijf uur geweest en in China drie uur(!) later. Aangekomen bij de Kazachse grenspost kreeg ik van een militair weer dat vreselijke bericht. Fietsen naar de Chinese grens was niet toegestaan. Maar deze militair was erg geduldig en bleef zinnen voor me vertalen. Khorgas, de zuidelijkste grenspost in de rij van vier, was de enige grenspost waar fietsen toegestaan was, zo liet hij weten. Ik liet zien dat dat een omweg van 789 kilometer betekende. Het klonk als een uitdaging - ik had nog tien dagen - maar wel een die ik nog steeds liever vermeed. De militair toonde bezorgdheid. Ik kon het beste in Dostyk overnachten; het zou slecht weer worden. Ik was aanvankelijk eerder gedreven om nog vlot twintig kilometer af te leggen, maar dacht daarna aan mijn gebrek aan stroom en schone kleding. Misschien kon ik beter snel iets wassen en stroom laden en dan zonder verdere hotelovernachting naar Khorgas rijden. Na meer twijfel en bezorgdheid bij de militair maande hij me mee te lopen. Hij haalde er een hogere in rang bij. Ik kreeg nu alsnog een speciale behandeling. Het leek nu echt te gaan gebeuren. Ik leek nu echt fietsend China te gaan bereiken. De mannen hielden een korte bagagecontrole, mijn paspoort werd afgestempeld en ik mocht de vijf kilometer naar de grens fietsen. Eenmaal daar, na een rit tussen hekken met rollen scheermesdraad, kwam ik opnieuw bij een militair. Stukje bij beetje werd een heel ambtelijk apparaat bijeengetrommeld om mijn grensovergang mogelijk te maken; behalve vrachtverkeer, dat aan een enkel loket genoeg had, was er niemand meer die de grens nog passeerde. Ik mocht achter een auto aan rijden, naar een gebouw. Ik kon plaatsnemen op een stoel en kreeg een flesje koud water. Om me heen was het een komen en gaan van beambten. Mijn paspoort werd minutieus onderzocht en besproken. Daarna kon mijn bagage door de scanner en kon ik langs het loket alwaar ik een stempel kreeg, maar niet voordat er een gezichtsscan en vingerafdrukken waren genomen, met een geautomatiseerde Nederlandse gesproken instructie (“Plaats de vier vingers van uw linkerhand op het scherm”). Vier man hielden zich bezig met de controle van mijn bagage. Ze bladerden mijn boeken door en fotografeerden de kaften. Iedereen was vriendelijk. Uiteindelijk mocht ik mijn tassen inpakken en weer aan de fiets hangen. Ik was vrij om China in te gaan. In gedachten deed ik een vreugdedans. Direct na de grens lag de stad Alashankou. Ik reed door de brede straten geflankeerd door goudkleurige lantaarnpalen en rode symbolen, wat mijn omgeving een onmiskenbaar Chinees karakter gaf. Ik vond een geldautomaat en een winkel waar ik water en noodles kon kopen. Het nader onderzoeken van al dat wonderlijke Chinese voedsel dat ik zag bewaarde ik voor later. Het was inmiddels donker en de straten waren vol mensen, terrassen en neonverlichting. De mensen waren zeer open en met hun hulp vond ik vrij gemakkelijk een hotel dat bij mijn budget paste, sterker nog: ik betaalde maar negen euro voor een kamer met airco en eigen badkamer. Ik had aanvankelijk mijn meerdaagse stop verderop in China gepland, maar de rit vanaf Astana had lang genoeg geduurd. De meisjes achter de balie waren zeer behulpzaam. Met wat Engels en vertaalprogramma’s kwamen we overal uit. In mijn kamer dronk ik drie mokken koffie en meldde mijn aankomst bij het thuisfront via Messenger. Ik kreeg alleen het bericht niet verzonden. Toen realiseerde ik me dat Messenger, net als Facebook, niet werkt in China. Ik wilde een VPN-verbinding leggen maar ook die weigerde dienst. Later zou ik ontdekken dat ook X, Google, YouTube, Wikipedia en nieuwssites hier niet toegankelijk waren. Zelfs naar updates van Osmand kon ik fluiten (Maps.me stuit daarentegen niet op bezwaren van de Chinese overheid). Het was niet erg. Ik kon voorlopig wel zonder. Zo kon ik ook alvast wennen aan een bestaan zonder internet, een stap die ik mogelijk ooit zal moeten nemen indien internetgebruik niet meer mogelijk is zonder in te loggen met een digitale identiteit, iets waar ik principieel op tegen ben.
Het was vlot laat, zeker naar Chinese begrippen: het was zomaar half vier. Probleemloos viel ik in slaap na deze lange, enerverende dag. Dat kon zelfs het recente cafeïnegebruik niet verhinderen.
N.B. 1 Van de onderstaande lijstjes zijn er drie gewijzigd. Ten eerste verbleef ik in totaal 14 dagen in Osh (Langste verblijf stad, 5e plaats). Ten tweede reed ik op 17 dagen achtereen meer dan honderd kilometer (Langste onafgebroken reeks dagafstanden >= 100 km, 2e plaats). Ten derde kampeerde ik 17 keer op rij in het wild (Langste onafgebroken reeks wildkampeernachten, 10e plaats).
N.B. 2 Dit verhaal is weliswaar lang, maar nog altijd 20 woorden korter dan mijn langste verhaal ‘De verantwoorde rijstijl van ongewervelde dieren’ (7082 woorden).
N.B. 3 Mijn verblijfplaats Alashankou komt niet voor in de keuzelijst van Waarbenjij.nu. Ik kies als locatie daarom Kuytun, dat nog tweeënhalve dag fietsen vergt.
N.B. 4 Mijn boek ‘Vinnig meppen met een bos tulpen’, over de eerste twee jaar van mijn fietsleven, is bij de boekhandels verkrijgbaar, of tegen gereduceerd tarief bij:
-
02 September 2025 - 13:42
Chris:
Hoi Richard
in BAROEG heb jij mijn leven GERED
dat was in 2009 of 2010
ik ben met veel ruzie bin baroeg weggegaan en daar door heb ik JOUW nooit bedankt voor het redden van mijn leven
zo voelt het wel, ook al werd er niet met een stoel in mijn nek geslagen...
maar dat kwam omdat jij erg hard " NEEEEEEEEEEE" schreeuwde
dus NOG STEEDS
DANK JE WEL
Ik hoop dat het goed met je gaat, dat je lekker fietst en misschien kan ik jouw ergens mee helpen?
baroeg zegt dat je geen contact wil
dat klinkt vreemd, dan zou je dat zelf wel tegen mij zeggen als ze dat ECHT gevraagd hebben...
mocht je nu WEL in rdam zijn
kom vooral eens langs
voor een drankje ofzo
Chris
Reageer op dit reisverslag
Je kunt nu ook Smileys gebruiken. Via de toolbar, toetsenbord of door eerst : te typen en dan een woord bijvoorbeeld :smiley